Pleio

Engels | Nederlands

Later, als je groot bent…

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 55
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1488 dagen geleden

     0/5 Sterren (0)

    Later, als je groot bent…

    Je herinnert het je natuurlijk nog van toen je een kleine jongen of een klein meisje was. Dat je vader of je moeder tegen je zei, ‘wacht maar tot later, als je groot bent’. Daar kwam natuurlijk altijd iets achter, iets dat je nu nog niet mocht of nog niet kon. Zelf alleen naar school lopen of nog veel later zelf autorijden. Het woord ‘later’ werd je met de paplepel ingegoten. Later is nooit nu, het is altijd de horizon, het perspectief, de hoop of de angst.

    De toekomst voor de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de zorg voor jeugd begint niet over vele jaren. Die toekomst is dichterbij dan je denkt. Zij is eigenlijk al begonnen. Dat dachten alle gemeentebesturen in ons land tenminste.  Totdat het regeerakkoord Rutte II kwam. Daarin staat te lezen dat alleen de circa 25 grootste gemeenten verantwoordelijk worden voor taken die van Rijk of provincies naar het lokale bestuur worden verschoven. Onduidelijk is of dit alleen geldt voor toekomstige decentralisaties, of dat ook Wet werken naar Vermogen, de decentralisatie jeugdzorg en de AWBZ/WMO veranderingen hieronder vallen. In dat geval hebben 380 gemeenten zich de afgelopen jaren voor niks voorbereid op de komst van die taken. Want gemiddeld kent een gemeente in Nederland momenteel 40.000 inwoners. En 95% van alle gemeenten heeft  nu minder dan 100.000 inwoners, wat volgens het regeerakkoord te klein is om de nieuwe taken aan te kunnen.

    Het regeerakkoord Rutte II laat zo opnieuw zien dat de ingesleten routines van het paradigma van de verzorgingsstaat, met zijn nadruk op centraal ingrijpen, grootschaligheid, uniformiteit en gelijkheid dominant zijn in het politieke debat. En juist dat paradigma past niet bij de veranderende maatschappelijke verhoudingen. Bovendien spreekt de rijksoverheid met gespleten tong.

    Sinds de economische crisis staat grootschaligheid in de publieke perceptie gelijk aan onbeheersbaarheid, grootheidswaan en zelfverrijking. De pleitbezorgers van opschaling van overheidsorganisatie spuien ongemeen felle kritiek op instellingen die door hun expansiedrift in het ongerede zijn geraakt. Meavita, Philadelphia, Zonnehuizen  en Vestia worden met graagte aangevoerd als een duidelijk bewijs voor het failliet van het grootschaligheidsdenken.

    Is grootschaligheid dan een probleem? Wel als de nadelen groter zijn dan de voordelen. Bij het gevoel van binding, bescherming en thuiskomen maakt maatvoering het verschil. Menselijkheid vraagt kleinschaligheid.

    Ik constateer  daarom met lede ogen dat de rijksoverheid grootschaligheid lijkt te prefereren boven kleinschalige oplossingen. Kleinschalige oplossingen dragen bij aan een betere positie van de burgers. Het debat over de decentralisaties – feitelijk: transformaties - dreigt nu inderdaad weer een debat over systemen te worden. Waarbij vooral het denken in termen van beheer onevenredig teveel aandacht krijgt. Dit druist in tegen alles wat we met de transformaties willen: meer inzet en betrokkenheid van de mensen zelf. Wie dat wil, moet een structuur bouwen die de kans daarop zo groot mogelijk maakt. Die structuur bouw je niet door schaalvergroting, maar door schaalverkleining.

    Groot- en kleinschaligheid hoeven elkaar volgens overigens niet uit te sluiten. Als grootschalige organisaties maar in staat zijn kleinschalig en op maat uit te leveren. Oftewel: de organisatie mag systeemgedreven zijn, als de uitvoering maar contextgedreven is en kan zijn. De kwaliteit van het primaire proces in de zorg voor jeugd en gezin – en voor mensen in het algemeen –draait om datgene wat er tussen mensen gebeurt. Daar moet je de ondersteuning en het systeem op inrichten, niet andersom.

    Mijn argwaan jegens grootschaligheid heeft te maken met de daaraan verbonden verleiding tot groot, groter en grootst. Bovendien, zo toont onderzoek van het Centrum voor de economie van de lagere overheid (Coelo) van de Rijksuniversiteit Groningen aan, zijn grotere gemeenten prijziger dan kleinere zelfstandige gemeenten. Voor dit onderzoek – dat  liep van 2001 tot 2012 – is gekeken naar de herindelingen van afgelopen tien jaar. Zonder uitzondering maakten de grotere gemeenten meer kosten. En tegelijkertijd is er de relativerende wetenschap dat geen enkel (wetenschappelijk) onderzoek een direct verband tussen schaalgrootte en de kwaliteit van de (financiële) prestaties aantoont. Net zo goed als dat ik uit ervaring weet dat als je klein bent, je bepaalde ambities niet of minder gemakkelijk kunt verwezenlijken.

    Naar mijn idee echter moet bij de met de decentralisaties te bereiken transformatie het accent daar liggen waar het hoort; bij de burger en zijn woon- en leefomgeving.  Zij zijn de drijvende krachten bij het eigen kracht denken dat diezelfde overheid zo nadrukkelijk predikt. Daarbij hoort de vraag wat de kleinst mogelijke eenheid is om het zonder hulpstructuren te kunnen. Het antwoord op die vraag zal leren dat er meer toevoegende structuren nodig zijn naarmate de omgeving groter en anoniemer wordt.

    Het plan van Rutte II, gericht op het realiseren van grotere gemeenten is daarom arrogant ondoordacht. Als je wilt dat mensen uit gaan van hun eigen kracht, zich betrokken voelen bij hun buurt, hun stad, hun land, dan moet je die op een menselijke schaal vormgeven.  Besturen zijn er immers voor mensen, en niet andersom. Wat we nodig hebben is méér decentralisatie, méér verantwoordelijkheid en beslissingsmacht voor burgers, en dus plattere organisaties. Wie pleit voor schaalvergroting, pleit voor een organisatie die niet zo vlak mogelijk is, maar juist piramidaal. Hoe groter de schaal, hoe verder de top van de piramide afstaat van de basis. Hoe groter de schaal, hoe meer tussenlagen, hoe meer bureaucratie, hoe meer vervreemding. Voor wie is dat nuttig?  

    De opstellers van het Divosa-rapport ‘De mythe van de schaal’ hielden deze reflex terecht tegen het licht. De veronderstelling dat de toenemende complexiteit van de regelgeving en de steeds stijgende prestatiedruk organisatorische schaalvergroting noodzakelijk maken is empirisch niet te onderbouwen.  Organisaties kunnen daarom beter op zoek gaan naar hun natuurlijke schaal. Een vindplaatsbenadering, waarbij de omvang van een bestuurlijk construct niet wordt bepaald door bestuurlijke afwegingen, zoals bedrijfsvoering en beheersbaarheid, maar door het gedrag van de mensen waarmee en waarvoor gewerkt wordt. Die inzet van gemeenten mag Rutte II niet verstoren. Zij moet daarvoor ruimte creëren. Net zoals ik de ruimte kreeg en krijg om mijn dromen van ‘vroeger, toen ik klein was’ waar te maken.

     

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers