Pleio

Engels | Nederlands

Van cliënt- en burgerparticipatie naar overheidsparticipatie

    Peter Paul J. Doodkorte
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1407 dagen geleden Reacties (1)

     0/5 Sterren (0)

    Van cliënt- en burgerparticipatie naar overheidsparticipatie

    Het Nederlandse jeugdzorgstelsel ondergaat een extreme make-over: een transformatie van de zorg voor jeugd, gebaseerd op  stelselwijziging en transitie van de jeugdzorg. De verantwoordelijkheden en taken rond jeugdzorg verschuiven van o.a. de provincies, zorgkantoren en zorgverzekeraars naar de gemeenten. Vanaf 2015 hebben gemeente wettelijk de taak lokaal invulling te geven aan dit nieuwe jeugdzorgstelsel.

    De nieuwe organisatie van de zorg voor jeugd moet efficiënter, coherenter en kosteneffectiever zijn dan het bestaande.

    De transformatie steunt op een aantal belangrijke gedachten over de gemeente en de rol van de burger. De basisgedachte is dat gemeenten het dichtst  bij de jeugdigen en ouders staan. En dus beter kunnen achterhalen wat de lokale gemeenschap nodig heeft; en daarop aansluiten. Deze nabijheid vraagt en biedt ook een kans om  de (eigen) kracht van mensen te benutten. Door hen in een vroegtijdig stadium bij ontwikkelingen te betrekken, moet de aard en omvang van de ondersteuning  beter aansluiten bij hun behoeften. Zo kan ondersteuning – van bijspringen en meelopen tot overnemen – op maat geleverd worden. De lokale gemeenschap kan bovendien een signalerende en onder­steunende functie vervullen bij het voorkomen en aanpakken van problemen. Dit betekent voor zowel gemeenten als burgers en andere partijen een nieuwe rol.

    Hoe meer verantwoordelijkheid burgers zelf willen, kunnen of moeten nemen voor henzelf en hun omgeving, hoe kleiner de rol van de overheid kan én moet worden.  Bijna alle gemeenten – net als uitvoerende organisaties en hun professionals –  onderschrijven dit.  Maar wat het daarbij gevleugelde begrip ‘participatie’ betekent, blijkt diffuus. Participatie gaat vaker over medezeggenschap dan over zeggenschap. Participatie regelt vaker het recht op en nut van inspraak dat het recht op, invloed en initiatief van ouders en jeugdigen op het beleid en de uitvoering daarvan.

    Medezeggenschap kan worden omschreven als “het geheel van maatregelen met behulp waarvan burgers invloed kunnen uitoefenen.” Burgers zijn daarbij afhankelijk van de goede wil van hun gesprekspartners: overheden, zorginstellingen en hun professionals, etc.

    Zeggenschap is: zelf kiezen hoe je invulling geeft aan je leven en daardoor invloed hebben op wat er wel of niet met je gebeurt. Zeggenschap is dus niet alleen meepraten, maar ook meebeslissen. Beslissen over de dingen die je belangrijk vind in je leven en/of in je omgeving. Oftewel: regie vanuit eigen kracht.

    Het deze week verschenen rapport “Participatie in zicht” werpt licht op hoe gemeenten omgaan met participatie bij hun huidige taken en in de transitie jeugdzorg. In het rapport worden belangrijke bevindingen genoemd over de participatie van jeugd, ouders en/of jeugdzorgcliënten.

    Duidelijk wordt dat participatie die eigen kracht als vertrekpunt kent, van alle betrokkenen vergt dat burgers – klein en groot, jong en oud – serieuze en volwaardige gesprekspartners zijn. En dat er eerst en vooral sprake is van zeggenschap. Dat laatste is in de huidige praktijk (te) vaak nog vooral een op papier uitgesproken ambitie. Het betrekken van jeugd, ouders of jeugdzorgcliënten blijft vaak bij het hen (in een laat stadium) informeren of raadplegen (medezeggenschap), in plaats van werkelijke dialoog en invloed (zeggenschap). Nog te vaak blijkt dat ouders en/of kinderen niet – of bij de gratie van de ondersteuners – mogen aanschuiven bij het overleg dat juist over hen en hun situatie en behoeften gaat.  En, als ze wel mogen aanschuiven, dan is er veelal sprake van mogen meepraten in plaats van mogen meebeslissen. En blijft hun hulpplan en dossier ook vooral eigendom van de instelling.

    Het bij het nieuwe lokale jeugdbeleid en de jeugdzorg betrekken van ouders, jeugdigen en cliënten vraagt om gesprek met jeugdigen en ouders om tot gezamenlijke ambities, doelen en acties te komen. Dit vergt naast gelijkwaardigheid, tijd en geld ook aandacht voor en energie steken in heldere verwachtingspatronen. Dus ook  om het aangeven van de grenzen van participatie. Daarbij spreken zij af wat ze doen, hoe ze dat doen en welke regels daarvoor gelden. Het niveau waarop burgers mogen verwachten dat zij kunnen meedenken, meepraten of meebeslissen vraagt daarbij om een duidelijke vaststelling van dat wat daarbij passend is. Als er geen mogelijkheid is om de burger te laten meebeslissen (bijvoorbeeld omdat er heel veel belangen spelen of omdat (wettelijke) regels dat onmogelijk maken, moet je dat van te voren zeggen. Zo ontstaan er geen valse verwachtingen. Maar andersom, als er geen reden is om als overheid in te grijpen, moet je als overheid ook durven loslaten, en ruimte voor zelfbeheer (eigen kracht) creëren.

    Samenvattend

    Met de stelselwijziging (transitie en transformatie) van de jeugdzorg krijgen gemeenten de verantwoordelijkheid voor alle zorg voor jeugdigen en ouders binnen hun gemeente; van licht tot zwaar en van vrijwillig tot gedwongen. In de visie van de concept Jeugdwet is ook een andere omslag te zien: naar meer preventie, eerdere ondersteuning en eigen kracht van jeugdigen en hun ouders. In beginsel moeten overheden eerst en vooral een ondersteunende rol willen spelen: burgers en bedrijven nemen het initiatief en de overheid voegt zich daar pas bij als het nodig is. Bijvoorbeeld door knellende regels weg te nemen of geld ter beschikking te stellen. Zo vindt een omslag plaats van burgerparticipatie (burgers doen met de overheid mee) naar overheidsparticipatie (de overheid doet met burgers mee).

    Overheidsparticipatie past heel goed in een tijd van een terugtredende overheid, waarbij burgers meer verantwoordelijkheid moeten, willen én kunnen nemen. Het vraagt om een overheid die dit mogelijk maakt. En dus primair om een faciliterende (bijspringende) in plaats van overnemende  overheid. Of, zoals de Lochemse Toekomstvisie 2030 (2011) dat zo mooi beschrijft: “Een overheid die voor regie zorgt: samenwerking aanjaagt en ondersteunt, lokale daadkracht mobiliseert, partijen als gelijkwaardig ziet, randvoorwaarden geeft en een vangnet is voor hen die dat nodig hebben. Een overheid die niet geleidelijk uit beeld verdwijnt maar betrokken blijft. Een herkenbare en duidelijke overheid die kan loslaten maar nooit mensen laat vallen. Die uitgaat van het versterken van eigen verantwoordelijkheid, weerbaarheid en wederkerigheid en daar waar dat eindigt, verantwoordelijk is en blijft voor kwetsbare groepen.”

    Reacties

    Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
      • Marcel Krassenburg
        Marcel Krassenburg 1406 dagen geleden

        Peter Paul,

        Weer een mooie bijdrage. En ik dacht een goede definitie van participatie te vinden in het door jou genoemde rapport “Participatie in zicht” (paragraaf 2.2):

        Gemeente kunnen jeugd, ouders en/of jeugdzorgcliënten op verschillende manieren intensief of minder intensief betrekken. Betrokkenheid van deze groepen kan op inhoudelijk niveau - bijvoorbeeld meedenken over de invulling van het aanbod van het CJG - maar ook op meer beleidsmatig niveau - meedenken over richtlijnen en nieuw beleid. Participatie gaat hier dus om “de invloed die jeugdige, ouders en jeugdzorgcliënten hebben op de ontwikkeling en invulling van het huidige en toekomstige jeugdbeleid”.

        Helaas een vage definitie, want wat is nou meedenken en betrekken. Ook de gebruikelijke participatieladder wordt aangehaald. Maar waar het werkelijk om gaat is "probleemoplossen". Er is een situatie die we ongewenst vinden en daar bedenk je een oplossing voor die je vervolgens realiseert. Zoals Bolkestein in Buitenhof (13-1-2013, minuut 51.20) een uitspraak van Lubbers aanhaalde: "Mijn visie is dat er problemen zijn en dat die moeten worden opgelost". 

        Als je participatie in de context van probleemoplossen bekijkt, wordt het ineens veel simpeler om het praktisch in te vullen. Het doel is om van een probleem of kans naar een (werkende) oplossing te komen, met de verantwoordelijkheden bij de juiste personen en organisaties en met een passende inbreng uit de omgeving (participatie).

         

        Probleemoplossen loopt volgens een herkenbaar stramien: signaleren/agenderen, analyseren, bedenken, besluiten, uitvoeren. Vervolgens kan je in iedere fase de participatie helder invullen. Zo kan je bewoners vragen om mee te denken over het probleem (te hard rijden in een straat), over de mogelijke oplossing (drempels), over de gevolgen van een oplossing (trillen bij zwaar verkeer). Je maakt vooraf al duidelijk wat de randvoorwaarden zijn (wet- en regelgeving, beleid, financiële kaders), dat besluitvorming nog niet heeft plaatsgevonden en wie dat uiteindelijk doet (de raad, college, de buurt zelf?). Zo'n model werkt als een handleiding en checklist voor ambtenaren en is een goede presentatievorm naar burgers om te zien hoe het staat met de vraagstukken van de stad.

        Burgerparticipatie én overheidsparticipatie passen dus beide in het probleemoplossen-model, het blijft hetzelfde probleem met slechts een verschuiving van de uitvoering van bepaalde processtappen. In de genoemde jeugdzorg zal het vaak gaan om zeggenschap over oplossingen en de besluiten die genomen worden bij individuele, inhoudelijke problemen (van een cliënt). Maar ook een beleidsprobleem (met invloed op de werking van een stelsel of hele stad) kan je zo aanpakken. Je zal dan andere betrokkenen zien aanschuiven met andere belangen, maar de methode blijft gelijk.

         

         

        “Participatie in zicht”

      Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers