Pleio

Engels | Nederlands

‘Recht’ is de vrijheid die de wet toestaat

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 39
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1689 dagen geleden

     0/5 Sterren (0)

    ‘Recht’ is de vrijheid die de wet toestaat

    Ergens in het arrondissement Arnhem woont een jongetje dat niet weet hoe hij heet. Volgens zijn vader en de burgerlijke stand heet hij Hendrik. Volgens zijn moeder en de administratie van zijn school heet hij Erik. De ouders hadden daar zo'n ruzie over, dat de vader naar de rechter stapte. De rechter probeerde nog een schikking - Henk, of Rik - maar was uiteindelijk gedwongen te beslissen dat in dit opzicht de registers van de burgerlijke stand beslissend zijn. Ik verzin dit niet. Volgens een artikel van Mr A.H. Korthals (Kluwer, 2000, gebaseerd op de dagbladen van 21 september van dat jaar) is het echt gebeurd. Over juridisering van maatschappelijke verhoudingen gesproken!

    Aan de overdracht van allerlei taken op het sociaal domein (AWBZ, participatie,  zorg voor jeugd) naar gemeenten ligt een belangrijke omslag in denken en doen ten grondslag. Van een ‘recht op zorg’ naar ‘aansluiten bij de eigen mogelijkheden’. Dit ‘eigen kracht denken’ krijgt veel positieve weerklank bij burgers zowel als betrokken professionals, hun organisaties en gemeenten. Dat ondervind ik steeds weer opnieuw als ik over deze beweging mag spreken met gemeenten, professionals en burgers. Zo ook de afgelopen week. Ik was onder meer te gast bij de gemeenteraden van Súdwest Fryslân en Littenseradiel, Tytsjerksteradiel, Peel en Maas (en omliggende gemeenten), het VTO-team in Fryslân,  de werkgroep jeugdzorg van de Fryske Staten en de WMO-raden van Noord-Veluwe, Hattem en Zeewolde.

    Het enthousiasme over de beweging en de daaraan verbonden zoektocht naar een bijpassende vormgeving bracht ook een belangrijk dilemma aan het licht: hoe verhoudt het ‘eigen kracht denken’ zich met de tegelijkertijd zichtbare beweging van verdere juridisering van onze maatschappij.De juridisering waarvoor mijn gesprekspartners (helaas terecht) vrezen, is naar mijn mening echter niet zozeer een probleem van de rechtspraak, maar van wetgeving. Zij moet dan ook vooral worden bestreden met wetgevingskwaliteitsbeleid. Daarom wil ik – ten behoeve van het welslagen van de voor de transitie noodzakelijke transformatie van het sociaal domein – pleiten voor een omslag van ‘voorschrijvende’ naar ‘faciliterende’ wetgeving. 

    Het ‘recht op zorg’ is verankerd in wet- en regelgeving en daarop gebaseerde verordeningen. De beschrijving daarvan gaat (nog te veel) uit van het om- en beschrijven van een concrete voorziening of prestatie als antwoord op een vraag of probleem. De juridisering of juridisering is een daarop gebaseerd verschijnsel.  Het recht wordt uniformer, voorspelbaarder, centraler en meer gereguleerd. Dit heeft tot gevolg dat er meer nadruk wordt gelegd op juridische aspecten ten koste van andere elementen. De beoogde ontwikkeling van ons verzorgingsstelsel vraagt om het ‘aansluiten bij de eigen mogelijkheden’ van het individu en/in zijn of haar omgeving. Uitgangspunt daarbij is dat eerst gekeken wordt naar dat wat het individu en/of zijn omgeving zelf kan en wil.  Eventuele gewenste dan wel noodzakelijke ondersteuning kenmerkt zich vervolgens door daaraan toevoegende waarde.

    Deze beweging gaat uit van wederkerigheid: wat kunnen wij – binnen de beschikbare (financiële) mogelijkheden – voor elkaar betekenen. Dit vraagt om ruimte voor onderhandeling. En om een daarop gebaseerd juridische grondslag.

    Onderhandelen wil zeggen: in overleg een overeenkomst bereiken waarbij de doelstellingen en belangen van alle partijen gediend zijn en die voor iedereen aanvaardbaar is. Om andermans belang te kunnen inschatten, moet je als onderhandelaar beschikken over een goed inlevingsvermogen. Je moet inzicht en gevoel hebben voor (machts)verhoudingen en belangentegenstellingen. En het vraagt om respect voor elkaars belang. Het betekent ook dat je de ander niet overvraagd.

    Bekwaam onderhandelen doe je door samen te verkennen:

    • wat realistisch haalbaar is;
    • wat – over en weer – de doelstellingen, mogelijkheden en grenzen zijn;
    • wat aanvaardbare concessies zijn.

    Onderhandelen vraagt daarmee ook onderhandelingsruimte. Een overheidsrol gebaseerd op het paradigma van ‘controle en beheersing’, werkt daarbij niet meer. Daarvoor is een faciliterende en stimulerende overheid gewenst. Een overheid die zowel ruimte biedt als richting geeft.

    Met ‘ruimte bieden’ bedoel ik institutionele, financiële, juridische en mentale ruimte. In het bijzonder het wegnemen van juridische barrières is daarbij van belang. Onder ‘richting geven’ versta ik het – met frisdenkers en dwarskijkers – ontwikkelen van een inspirerende visie. En het stellen van ambitieuze kaders voor duurzame ontwikkeling aan de hand van spelregels of leidende principes. En waar heb je het over als je het over ‘zorgbeginselen’ hebt? Dan zou het toch moeten gaan om principes als naastenliefde, respect en een ‘goed gesprek’? Daarbij dient het materialisme – het denken in concrete producten en prestaties – te worden omgezet naar een beschrijving van vitalisme –  denken en doen  in ‘bijspringen en aansluiten’.

    Samenvattend

    De omslag in het sociaal domein is nodig omdat we aantal dingen kunnen verbeteren, bijvoorbeeld  de kwaliteit van hulp- en dienstverlening. Want de overheid heeft – met de beste bedoelingen, dat wel – de afgelopen decennia steeds meer uit handen genomen van inwoners. Die omslag is een grote uitdaging. Maar het kan lukken. Als wij eigen kracht van de burgers en die van de sociale omgeving centraal stellen. En daarbij gewenste of noodzakelijke ondersteuning niet voorschrijvend maar faciliterend mogelijk maken en stimuleren. Dit vraagt om de kunst van het loslaten: in plaats van het met nieuwe wetten en verordeningen scheppen van verwachtingen bij de transitie van overheidstaken naar gemeenten en hun inwoners vraagt dit om het creëren van onderhandelingsruimte. Dat doe je door niet langer het ‘het recht op’ te beschrijven, maar de beoogde beweging en een hierop afgestemde bandbreedte. Met daarop afgestemde passende budgetten en resultaatbeschrijvingen.  Dit vraagt top-down en bottom-up om dienend leiderschap: faciliterend en stimulerend. En wellicht, net als met de wijkzuster, om een ‘vooruit naar vroeger’: terug naar de kern, de essentie; een nieuw, holistisch paradigma, met een nieuw, groot verhaal dat klein gemaakt kan worden. Dat vraagt naast een andere inhoud, om innovatieve processen en nieuwe vormen van financiering. Als wij daarin slagen, zou het met de nu (nog terecht) gevreesde juridisering uiteindelijk wel eens heel erg mee kunnen vallen.

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers