Pleio

Engels | Nederlands

De alwetende storthoop

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 425
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1682 dagen geleden Reacties (1)

     0/5 Sterren (0)

    De alwetende storthoop

    Over de zorg voor jeugd wordt vaak een somber beeld opgehangen: wachtlijsten,  incidenten en berichten over onvoldoende samenwerking  en vaak te beperkte informatie kleuren het maatschappelijke debat en vullen de gesproken en geschreven media. Wat zij ook doet, het is niet goed of deugt niet. De ene keer krijgt ze het verwijt niet in te grijpen, de andere keer is het verwijt juist dat er te lang gewacht is met ingrijpen. En nog niet zo heel lang geleden concludeerde de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat de jeugdzorg professioneel gezien nog in de kinderschoenen staat.

    Is die kritiek terecht? Deels wellicht. Maar wie zich realiseert dat de jeugdzorg daar acteert waar wij het als maatschappij ook niet (meer) weten of laten afweten komt tot een veel genuanceerder beeld.

    Zorg voor jeugd. Het zijn een paar simpele woorden voor een omvangrijk en complex geheel.  De organisatie is complex. Voor ouders en jeugdigen zowel als voor organisaties. En ook de wet- en regelgeving is ingewikkeld. Zo ingewikkeld zelfs, dat het de (vijf) betrokken ministeries nauwelijks lukt om onderling tot afstemming te komen. En het in kaart brengen van alle verschillende financieringsstromen blijkt vooralsnog een zo niet onmogelijke, dan toch zeer ingewikkelde en tijdrovende bezigheid.

    Zoals gezegd: de kritiek die er op de jeugdzorg is, is hen deels wellicht ook wel zelf aan te rekenen. Want met de beste bedoelingen willen zorgorganisaties en hun medewerkers nog wel eens uitstralen (alleen) zij weten hoe opvoedproblemen het hoofd geboden kunnen worden. Een ergerniswekkende arrogantie die bij mij herinneringen oproept aan Gloria, de alwetende storthoop uit de televisietekenfilmserie De Freggels (de Nederlandse benaming voor het Amerikaanse kinderprogramma Fraggle Rock). Als de Freggels met een probleem zitten opgescheept raadplegen ze de alwetende storthoop Gloria: een bebrilde berg compost die de taak van orakel op zich neemt. Zij wordt altijd bijgestaan door twee op ratten gelijkende wezentjes genaamd Filo en Soof.

    Die goedbedoelde maar misplaatste houding van alwetendheid is naar mijn mening ook vaak de oorzaak van de niet zelden even misplaatste kritiek op de jeugdzorg. Want  hoewel menig hulpverlener zowel als criticaster dat graag doet vermoeden: zorg voor jeugd is geen  exacte wetenschap. Zij die zelf ouder zijn weten dat uit eigen ervaring. Niet in de laatste plaats omdat elk kind uniek is. Dat unieke kind in zijn vervolgens ook unieke omgeving, met zijn eigen specifieke (on)mogelijkheden, vraagt om maatwerk. De door overheden daarvoor bedachte stelsels vervolgens zijn weer niet gebaseerd op maatwerk, maar gaan uit van confectie. Als het voor de een goed is, zal het ook voor de ander wel goed zijn.

    Dit laatste is geen realistische verwachting.  Bij het opvoeden van kinderen vraagt iedere ouder zich wel eens of hij/zij het goed doet en of het misschien beter kan. Dit is normaal: onzekerheid en twijfel maken immers onvermijdelijk deel uit van het dagelijkse opvoeden. En, als ouder sta je natuurlijk (en gelukkig) niet alleen in de opvoeding van je kinderen. Ook familie, vrienden, buren, leerkrachten, etc … kunnen bijspringen als het even minder of moeilijk gaat. Zij op hun beurt kunnen terugvallen op een breed scala van meer gespecialiseerde hulpverleners. Telkens opnieuw moet deze hulpverleners - net als iedere ouder overigens - een zo goed mogelijke inschatting maken over en van de situatie. Elke inschatting  beoordeelt ook een  mogelijk risico. Het niet willen aangaan of uitstellen van deze risico-inschatting door de hulpverlener zal tot gevolg hebben dat de hulpverlening zwaarder wordt of ingrijpender is. Soms ook dat instemming met de hulpverlening sneller wordt overgeslagen, dat de hulpverlener zelf overneemt of dat de hulpverlening dringender of dwingender wordt. Het zekere voor het onzekere nemen betekent ook een risico op te snel ingrijpen.

    Incidenten kleuren het beeld dat we hebben over de zorg voor jeugd. Toch moeten incidenten incidenteel blijven en niet het imago en nog minder het beleid van de zorg voor jeugd bepalen. De zorg voor jeugd kan onmogelijk teruggebracht worden tot voorspelbare resultaten. Elk individu is verschillend en er zijn veel omstandigheden die invloed uitoefenen op een jeugdige en zijn of haar situatie. Het causale verband tussen de geleverde zorg en een gewijzigde leefsituatie is vaak niet met zekerheid te bepalen. Alle beweringen over ‘evidence based care’  ten spijt: er bestaat geen methodiek die zeker ‘werkt’ in een bepaalde situatie. Of  een methodiek die garant staat voor succes. Wat dat ‘succes’ dan ook mag betekenen. Gebruik maken van wetenschappelijk onderbouwde methodieken of inspiratiebronnen kan helpen, maar zorg voor jeugd en werken met jeugd betekent het aanvaarden van onvoorspelbare resultaten. Er is geen pasklare oplossing. Dat zijn de grenzen van de ‘maakbaarheid van de mens en zijn context’...En dus ook de grenzen van en voor hulpverleners.

    Samenvattend

    Het opvoeden van kinderen wordt vandaag de dag niet meer vanzelfsprekend bevonden en gaat gepaard met onzekerheid. En voor die onzekerheid heeft de opvoedingswereld oplossingen. Deskundigen vervolgens spreken in absolute bewoordingen over opvoeden en opvoedvraagstukken. En elkaar of zichzelf voortdurend tegen.

    Die deskundigen menen het goed met ouders, en ouders menen het goed met hun kinderen. Wat hen zou kunnen en moeten verbinden is de zekerheid dat in en bij het opvoeden niets zeker is. Een houding van invoegen en aansluiten op de specifieke situatie van kinderen en/in hun omgeving op basis van de (opeenvolgende) principes van bijspringen (een kontje geven), meelopen (langduriger stut en steun, maatje en toeverlaat) of – zo nodig – (tijdelijk) overnemen (drang en dwang) kan daarbij helpen.

    De organisaties en hun medewerkers die zorg voor jeugd (en gezin) bieden zijn enthousiast en dynamisch. Zij schuwen niet om de moeilijke zorgopdracht op te nemen en boeken ook vaak goede resultaten. Het bijzondere van zorg voor jeugd is echter dat  het om mensen gaat. Iedere interventie staat op zich. Zij is niet reproduceerbaar en vermenigvuldigbaar. Juist daarom doen hulpverleners er goed aan uit de rol van ‘alwetende storthoop’ te stappen.  Bij die veranderende positionering hoort ook het inruilen van ‘cliëntparticipatie’ (de cliënt mag meepraten) voor hulp- dan wel overheidsparticipatie (wij schuiven even aan).

    Reacties

    Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
      • Mariette van Brandenburg
        Mariette van Brandenburg 1681 dagen geleden

        Met veel belangstelling lees ik elke  zondag het stukje van Peter Paul Doorkorte.

        Zelf werk ik inmiddels 33 jaar in de zorg voor jeugd bij diverse zorgaanbieders en in diverse functies.

        Mijn hart sprong open bij het lezen van deze bijdrage: eindelijk een genuanceerder beeld van de jeugdzorg waarbij deze gepositioneerd wordt in een complex krachtenveld (politiek, maatschappelijk, bestuurlijk) en daarbinnen de uitdaging kent (tijdelijk) ondersteuning te bieden waar opgroeien en opvoeden niet vanzelf gaat.

        Juist dit maakt het zo’n mooi vak: samen met alle betrokkenen zoeken naar wat in deze situatie, met dit kind, deze ouder(s), deze geschiedenis, deze waarden en normen en culturele achtergrond  wél (zo goed mogelijk) werkt. Daarbij past bescheidenheid en nieuwsgierigheid. Ik herken dan ook niet de profilering van de ‘allesweter’, wel dat de verleiding aanwezig is omdat dit appèl vanuit diverse kanten op je gedaan wordt!

         

        Het is voor mij een hart onder de riem een medestander te vinden die zich kritisch uitlaat over de illusie van evidence based  en protocollair werken voor specifieke vastomlijnde ‘doelgroepen’. Die zijn er namelijk niet of nauwelijks binnen de jeugdzorg; het gaat daar veelal om complexe en verweven problemen die tot een hulpvraag leiden en die maatwerk vereisen.

        Natuurlijk is het goed te investeren in kennisvergroting, praktijk gestuurd onderzoek en professionalisering van de hulpverleners en moet er verantwoording afgelegd kunnen worden over gemaakte keuzes. Maar laten we niet vergeten dat het in eerste instantie gaat over de alliantie (samenwerkingsrelatie) die de professional weet op te bouwen met ouders en jeugdigen en hun sociale netwerk, ook in situaties waarin er sprake is van onveiligheid voor het kind en van de inzet van dwang en drang. En dat professionals dit werk het beste kunnen doen in een omgeving die hen ondersteunt en uitdaagt tot reflectie en niet steeds in de verdediging duwt waarbij ze worden ‘afgerekend’ op zaken waar zij geen invloed op hebben of niet realistische prestatie-indicatoren.  

         

        In Noord- Brabant zijn we vanaf 2011 bezig met een ambitieus project  ‘Samen Sterker’ . Het gezamenlijke doel van betrokkenen (jeugdzorginstellingen, onderzoekspartners, provincie Noord-Brabant) is het ontwikkelen en uitvoeren van een meerjaren onderzoeksprogramma ten behoeve van het verhogen van het rendement van jeugd- en opvoedhulp middels de focus op algemeen werkzame factoren in de zorg voor jeugd, in het bijzonder het thema ‘alliantie’. Informatie en kennis met betrekking tot algemeen werkzame factoren is niet alleen van belang voor werkzaamheden binnen de huidige jeugdzorgpraktijk, maar ook voor jeugdzorgprofessionals en -cliënten gedurende en na afloop van de transitie die de komende jaren zal plaatsvinden. ‘Samen Sterker’ verwijst enerzijds naar de gecombineerde inspanning van de betrokken instanties en anderzijds naar het inhoudelijke kernthema: alliantie – de professionele werkrelatie waarin sprake is van een emotionele band (persoonlijke alliantie), en van overeenstemming over het samenwerkingsdoel en de geëigende aanpak (taakalliantie) (Bordin, 1979; Green, 2006). De uitdaging voor beroepskrachten in de jeugdzorg betreft het realiseren van meerdere allianties: met cliënten, het sociale netwerk van cliënten, en de eigen leidinggevende.

        Het zou goed zijn als de beleidsmakers  op de diverse bestuurlijke niveaus ook allianties met de jeugdzorg (blijven) aangaan. 14 maart voelde dat even zo, toen Lodewijk Asscher  het opnam voor de besluiten van de pleegzorg rondom de casus Yunus. Dat is helpend denk ik!

         

        Mariette van Brandenburg

        Hoofd Kwaliteit en Innovatie Juzt

      Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers