Pleio

Engels | Nederlands

Wat men moet leren doen, leert men door het te doen

    Peter Paul J. Doodkorte
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1257 dagen geleden

     2/5 Sterren (1)

    Wat men moet leren doen, leert men door het te doen

    Aristoteles, Grieks filosoof 384 v. C. – 322 v. C

    • Wie slechts uit redelijke overwegingen wil handelen, veroordeelt zichzelf ertoe slechts zelden te handelen

    Gustave le Bon, Frans socioloog en psycholoog 1841 – 1931

    Handelingsverlegenheid. Het ligt lekker op de tong en een lekker bekkend label voor een hardnekkig fenomeen dat professionals in het sociaal domein met enige regelmaat wordt ingewreven: het blijven sleutelen aan systemen en werkwijzen in plaats van uit die systeemwereld te stappen en er op afgaan.

    Handelingsverlegenheid. Ik proefde dat woord weer op mijn tong toen ik de afgelopen week deelnam aan een van de (vijf) regiobijeenkomsten van VNG en het Rijk over de transities in het sociaal domein.

    De uitnodiging daarvoor was veelbelovend: "Klaar voor de transitie en transformatie van het sociaal domein op 1 januari 2015? Laat je inspireren in juni en juli 2013 op de regiobijeenkomsten Transities sociaal domein." Zo kopte de uitnodiging. Met de focus op samenhang.

    In een dagdeel zouden de deelnemers praktische handvatten en inspirerende voorbeelden van aanpakken voor een pragmatische en haalbare implementatie van de decentralisatie van de langdurige zorg, de nieuwe wet op de Jeugdzorg en de Participatiewet krijgen. Aanpakken die zouden kunnen helpen de dilemma’s in de voorbereiding op 2015 op te lossen. Het  plenaire gedeelte – zo beloofde de vooraankondiging – zou het gesprek zijn  over de samenhangende stappen op weg naar 1 januari 2015. Vanuit het besef dat dit betekent dat er nog dit jaar belangrijke stappen gezet moeten worden. Bovendien zou er informatie verschaft worden over de ondersteuning die daarbij van het Rijk kon worden verwacht.

    Mijn verwachting – en van velen met mij (ook die een van de andere bijeenkomsten bijwoonden), zo heb ik inmiddels begrepen – mondde uit in een teleurstelling.

    Het eerste uur was niets meer of minder dan een rondje 'open deuren'. Platgetreden paden en  nietszeggende filmpjes van – volgens de dagvoorzitter – een unicum: dapper samenwerkende bewindslieden van drie ministeries. Die er – ondanks het pleidooi tot samenwerking – kennelijk zelf niet in slaagden om één van hen namens hen drieën te laten spreken (scoringsdrift). Zij kwamen niet verder dan een obligaat welkom en de verrassende (?) constatering dat we voor een grote opgave staan.

    Het vervolg werd gevonden in een goedbedoelde, maar volstrekt het doel voorbij schietende act van twee heren die in hun tweespraak vooral de twijfels benoemden: is de burger wel bereid dan wel in staat tot de noodzakelijke cultuurverandering, is er wel voldoende kennis, etc. En ook de (ene) workshop die ik bezocht (nieuwe arrangementen) eindigde daar, waar hij had moeten beginnen.  Eigenlijk was de centrale boodschap: wij (lees: Den Haag) weten het eigenlijk ook niet. Handelingsverlegenheid ten top, toegedekt met een stapeling van goedbedoelde edoch misplaatste bemoeizucht. Tijd en middelen worden vooral besteed aan dossiergestuurde afstemming en mensen die op afstand en een bevoogdende manier bedenken en vertellen wat goed is. De kern van die onmacht – met handelingsverlegenheid als gevolg – is de afstand tussen de systeemwereld en de leef- en werkwereld van burgers en professionals.

    Terugkijkend moet ik – node – vaststellen dat het hele transitieproces in toenemende mate gekenmerkt lijkt door handelingsverlegenheid. Overheidshandelen dat bol staat van aarzeling. De angst verantwoordelijk gesteld te worden voor ongewenste gevolgen en zorg over aansprakelijkheid of eigen veiligheid lijkt te regeren. Begrijpelijke, maar niet zelden oneigenlijke factoren die maken dat er niet wordt doorgepakt.  Handelingsverlegenheid, waarover wij wat graag de mensen op de werkvloer aanspreken, is – zo realiseerde ik mij – eerst en vooral het gevolg – en dus het probleem – van een niet consistente sturing.

    Een operatie als de kanteling, de omvorming van het sociaal domein, vraagt een overheid die effectief deuren opent om samen aan de slag te (kunnen) gaan. Een overheid die, in het belang van de zaak, samenwerkt als partner. Dat vraagt naast een stevig en consistent beleid, aanmoediging en toerusting die ook bescherming biedt. En dus ook een overheid die niet over 'de burger' in derde persoon praat, maar weet dat zij de representant van  de burger is (kijken door de ogen van!).

    Het vraagt om een overheid die vertrouwen uitstraalt in de competenties van haar partners. Een overheid dus die niet gaat wankelen onder een procesdruk en belangenlobby die vervolgens kan worden omschreven als gestold wantrouwen. De uiterste consequentie daarvan is dat de lagere overheden en de gewone burger – contrair aan het bijspringen en meelopen op de eigen competenties daarvan – steeds sterker voorwerp worden van toezicht en controle (je kunt het wel zelf, maar je moet het wel zo en zo doen…). We mogen (durven) niet meer afwachten tot er 'iets' gebeurt. We moeten niet alleen de dreiging, maar ook het risico al bij voorbaat al uitsluiten. (...). Terwijl elke opvoeder weet dat de kunst van het opvoeden nu juist is: (leren) loslaten.

    Tot het gevraagde en benodigde vertrouwen behoort het geven van geruststelling en rugdekking. Niet alleen wanneer zich problemen voordoen, maar voortdurend. Mensen die hun nek uitsteken, moeten worden beschermt en ondersteunt. Een vorm daarvan is het ‘moreel beraad’, waarin ruimte is om kleine of grote dilemma’s te bespreken en gewetenskwesties aan de orde kunnen komen. In het bijzonder gaat het daarbij om:

    • de uitdagingen waarmee de beroepsgroep de komende jaren te maken krijgt, waaronder het spanningsveld tussen ‘optimale veiligheid’ (in relatie tot allerlei professionele standaarden) en ‘zo gewoon mogelijk’.
    • de vraag of gemeenten en de beroepsgroep die uitdagingen wel aankunnen, en wat daarvoor nodig is.

    Niet de cultuurverandering zelf is het probleem, maar hoe we er mee omgaan. Het willen ontwijken van confrontatie, de angst om afgerekend te worden op fouten, het zich verschuilen achter anonieme systemen en het heilige geloof in betere systemen zijn brandstof voor handelingsverlegenheid. Energie en toerusting vind je in het geven van ruimte om fouten te kunnen maken, om bewust passende risico’s te nemen, om eigen verantwoordelijkheid te nemen. Het geven van experimenteerruimte is daarbij een erkenning van vakmanschap c.q. blijk van vertrouwen. Anders gezegd: maak de beoogde transformatie niet ondergeschikt aan de transitie, protocollen en procedures. Of instituties die vasthouden aan de eigen werkwijze en niet bereid zijn autonomie af te staan. Dat laatste zal vooral de complexiteit van de analyses, interventies, afstemming en verantwoording doen toenemen en de doortastendheid naar evenredigheid doen afnemen.

    http://peterpauldoodkorte.wordpress.com/2013/06/28/wat-men-moet-leren-doen-leert-men-door-het-te-doen/

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers