Pleio

Engels | Nederlands

Hoe strak staan uw elastiekjes?

    Peter Paul J. Doodkorte
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1437 dagen geleden Reacties (1)

     0/5 Sterren (0)

    Hoe strak staan uw elastiekjes?
    • Je kunt geen handen schudden met een gebalde vuist      

    De Jeugdwet is door de Tweede Kamer aangenomen. Gemeenten worden per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Volgens berichten naar verwachting. Voor mijzelf echter was het een hele opluchting. Want, eerlijk is eerlijk, er waren naast veel vooruit trekkende elastiekjes ook de nodige terugtrekkende elastiekjes. Van hoog tot laag. Niet zelden heb ik in de afgelopen maanden gevreesd voor het – als gevolg daarvan – knappen  van het elastiek.

    De Jeugdwet is de eerste van drie grote decentralisatiewetten die het kabinet de komende tijd aan de Kamers zullen voorleggen. Naast de Jeugdwet volgen binnenkort ook de Participatiewet en de wet langdurige zorg. Voor de Jeugdwet kregen de verantwoordelijke bewindslieden een ruime meerderheid van de Tweede Kamer (VVD, PvdA, CDA, D66, GroenLinks, ChristenUnie en SGP) achter zich. Omdat deze partijen in de Eerste Kamer een ruime meerderheid van 54 zetels hebben, ziet het er naar uit dat de Jeugdwet ook daar de eindstreep zal halen. Al blijf ik beducht voor de terugtrekkende elastiekjes. Een wet is immers pas een wet als de handtekening van de koning er onder staat!

    Bij de behandeling in de Eerste Kamer zullen ongetwijfeld de uitkomsten van de regionale transitiearrangementen een rol van betekenis spelen. In het transitieplan jeugd van het rijk, VNG en IPO zijn deze als een belangrijke mijlpalen opgenomen bij de overgang van de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de zorg voor jeugd.

    Alle (41) jeugdzorgregio’s moeten uiterlijk 31 oktober 2013 hun regionaal transitie-arrangement indienen. Daarin staat hoe gemeenten de continuïteit van zorg voor jeugd en de benodigde infrastructuur realiseren én welke afspraken ze maken om de frictiekosten te beperken.

    Bij het opstellen van deze arrangementen zijn er de nodige onzekere factoren waar gemeenten mee moeten werken. Het belangrijkste is onzekerheid over de budgetten. Zo blijkt het verschil tussen de huidige omzet van zorgaanbieders en het budget in de meicirculaire 2013 groot te zijn: het verschil is groter dan de door het Rijk aangekondigde korting van ca. 4% (2015).

    Het werken aan de regionale afspraken heeft gezorgd voor zowel een versnelling als een verdieping van het decentralisatieproces bij gemeenten, zorgaanbieders en Bureaus Jeugdzorg (BJZ’s). Daarmee zijn de regionale  transitiearrangementen een effectief instrument gebleken. Het voor de totstandkoming ervan beperkte tijdpad evenwel kan die effectiviteit ook ernstig beschadigen of teniet doen.

    Gemeenten, bureaus jeugdzorg en aanbieders van jeugd- en opvoedhulp lijken elkaar wel te vinden als het gaat om (het concretiseren van) van visies en beleidsintenties. Er blijken (gelukkig) steeds meer partijen  te vinden te zijn, die het belang van goede zorg voor jeugd – en de kansen die de jeugdwet daarvoor biedt – zien. Maar de financiële belangen zijn – over en weer – groot en leiden tot complexe afwegingen. Hoe daaraan tijdens de overgangsperiode vorm te geven, blijkt een veel lastiger te beantwoorden vraag.

    De oplossingen die partijen daarvoor zien, zijn sterk afhankelijk van het perspectief dat zij kiezen. Het lastige van het perspectief dat zij kiezen, is dat het altijd ook zijn beperkingen kent. De voortdurende onzekerheid over het budget 2015 maakt het daarbij – voor alle partijen – eigenlijk ook onmogelijk om vóór of op 31 oktober tot concrete afspraken te komen. Waar dat wel gebeurt zie ik dat de betrokken partijen de gebeurtenissen willen controleren. En, omdat ieder dat – logischerwijs – doet vanuit het eigen perspectief, blijkt het moeilijk om daarvan afstand te nemen. Bij gemeenten zowel als aanbieders leidt dit tegelijkertijd tot faalangst zowel als perfectionisme: “Als er iets gebeurt dat ik niet wil, dan wil ik het niet aangaan.” En dan manifesteren de elastiekjes zich weer. Zowel vooruit- als terugtrekkend. 

    De emoties die daarbij optreden zijn te waarderen met drie trefwoorden: continuïteit, vernieuwing en verwarring. Deze emoties leiden richting aanbieders van jeugd- en opvoedhulp al snel tot het verwijt van (organisatorische) behoudzucht, belangen van instituties en het vertragen van de zo noodzakelijke veranderingen.  Omgekeerd wordt gemeenten een vlucht vooruit in nieuwe aanpakken verweten. En blindheid voor de gevolgen daarvan (op de korte of middellange termijn) voor de continuïteit van organisaties, arbeid en (daarmee) de jeugd- en opvoedhulp.

    De goedbedoelde drift ‘het nu eindelijk eens goed te gaan organiseren’ gaat daarbij te gemakkelijk voorbij aan het feit dat de aanbieders al een behoorlijk stuk op de goede weg zijn. Het zou zo maar kunnen dat de nu gehanteerde tijdsdruk op het tot stand brengen van de regionale transitiearrangementen zo tot stagnatie leidt. In plaats van tot de gewenste dynamiek. Dat zou best nog wel eens kunnen gaan wringen en de inmiddels – op basis van de gedeelde visies – opgebouwde relaties kunnen verstoren.

    Mijn simpele conclusie: wie niet kan meebewegen met wat er al is opgebouwd gaat stagnatie veroorzaken. Wij moeten waken voor het ‘maakbaarheidsoptimisme’. Op heel veel plekken wordt – tegelijkertijd – gewerkt  aan structuren die meer integraliteit, nabijheid en resultaatgerichtheid moeten en zullen opleveren. Maar als iedereen bij die beweging zijn eigen (financiële) perspectief als het middelpunt van de wereld neemt, gaan de regionale transitiearrangementen als een splijtende spagaat werken.

    Is er dan geen hoop op welslagen? Zeker wel. Maar dat welslagen wordt vooral bepaald door de houding, cultuur en de kwaliteit van relaties. De uitdaging voor ieder van de betrokken partijen daarbij is: het eigen perspectief los durven laten.

    Mijn advies luidt daarom: stop het (aan twee kanten) trekken aan de elastiekjes. Voor je het weet knap het elastiek (alsnog). Natuurlijk is het best eng ergens in te duiken wat je niet kan overzien, politiek gevoelig ligt of waarmee je je op het terrein van anderen begeeft. Het ‘geloof in de beweging’ en het ‘de pijn verdelen’ slaagt, als je daarover de dialoog opzoekt. Over de eigen drijfveren geen verstoppertje speelt. En de context van schaarste aan middelen in relatie tot de (wederzijdse) ambities als gezamenlijke verantwoordelijkheid deelt. Dat vraagt om een open oog en oor voor het belang van de ander.  Draai  het gesprek dus om. Verplaats je in de positie van de ander. En treedt die ander tegemoet met een houding van: “Als dit gebeurt, dan kan ik het wèl aangaan”. Gewoon, omdat de één niet zonder de ander kan. En laat daarbij de (te) hoge tijdsdruk er niet in slagen de uitdagende en gedeelde ambitie teniet te doen.

    Zie voor meer blogs:

    http://peterpauldoodkorte.wordpress.com/2013/10/18/hoe-strak-staan-uw-elastiekjes/

    Reacties

    Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
      • Maria Rigter
        Maria Rigter 1436 dagen geleden

        Dank je Paul voor dit helder houtsnijdend betoog plus advies!

      Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers