Pleio

Engels | Nederlands
Van buiten naar binnen in het ministerie van V&J

Van buiten naar binnen in het ministerie van V&J


 0/5 Sterren (0)

Gerelateerde blogs

Regulering en economie

Regulering en economie

Gelauwerd econoom Stiglitz liet voor de WRR zijn...
Nieuw in Nederland; het leven van recent gemigreerde Bulgaren en Polen

Nieuw in Nederland; het leven van recent gemigreerde Bulgaren en Polen

De positie op de arbeidsmarkt van Bulgaarse en...
Veiligheidsbeleid

Veiligheidsbeleid

Om consistentie en maatwerk te bevorderen, dient...
Allochtone Nederlanders

Allochtone Nederlanders

Door verschillende ontwikkelingen is de...

How much (in)equality can societies sustain?

    Hadewych
    Door Hadewych in de groep Van buiten naar binnen in het ministerie van V&J 1441 dagen geleden Reacties (1)

     0/5 Sterren (0)

    Verslag Cor Hermans van de WRR-lecture 2013 

    Richard Wilkinson (emeritus hoogleraar sociale epidemiologie, universiteit van Nottingham):

    Wilkinson publiceerde The spirit level: Why more equal societies almost always do better (vertaald in 23 talen). Zijn betoog (onderbouwd met talrijke cijferreeksen) kwam op het volgende neer.

    Heel bekend is dat in de welvarende VS, waar de sociaal-economische ongelijkheid groot is, het geweldsniveau en het aantal gevangenen veel hoger zijn dan in de egalitaire Scandinavische landen. Afgezien van deze uitersten liggen veel landen tamelijk dicht bij elkaar. Toch blijkt ook daar dat de omvang en ernst van sociale problemen groter zijn naarmate de inkomensongelijkheid groter is. Je kunt die verschillen niet verklaren door verschillen in individuele ondernemerszin e.d. Wilkinson maakt de vergelijking met een hordenloop: “verschillen in individueel atletisch vermogen kunnen verklaren wie er vallen, maar het is de hoogte van de horden die verklaart hoeveel er vallen. Vooral de sociale statusverschillen zijn de doorslaggevende factor. Ongelijkheid schaadt de gehele sociale structuur, het is niet alleen maar een probleem van ‘de onderkant’.

    Laten we eerst kijken naar de levensduurverwachting. In de ontwikkelde landen maakt het niveau van de economische groei hier niet veel verschil: de gezondheidsontwikkeling is niet gerelateerd aan de economische groei, en evenmin aan het nationaal inkomen per hoofd. Dat geldt ook voor gezondheidsproblemen, voor veel sociale problemen, en voor het welzijn van kinderen. De levensduurverwachting hangt wél sterk samen met opleidingsniveau en met de inkomensverdeling binnen een land. Het is het relatieve verschil in status in een land dat een sterke verklarende factor levert. Bij meer ongelijkheid in een samenleving is er sprake van meer status competition. En er is dan minder vertrouwen (trust) tussen de mensen. Zo blijkt uit onderzoek in 37 landen dat meer inkomensongelijkheid binnen de samenleving gepaard gaat met méér pesten (bullying). Geestesziekten komen beduidend meer voor in ongelijke landen: de VS scoren hier zeer hoog, het egalitaire Japan scoort hier opvallend laag. Schizofrenie afzonderlijk laat dit ook nog eens zien. Zelfmoordaantallen lopen zeer sterk uiteen van 15 tot 150 per miljoen inwoners in resp. egalitaire en inegalitaire landen. Idem het aantal gevangenen, dat varieert van 30 tot 400 per 100.000 inwoners. Sommige staten in de VS besteden meer geld aan hun gevangenissen dan aan de totale onderwijsuitgaven. Inegalitaire samenlevingen hebben relatief de meeste teenage-moeders.

    De ideologische grondslag voor sociaal-economische ongelijkheid is de veronderstelling dat deze de mobiliteit stimuleert. Maar het omgekeerde blijkt het geval: in de meer inegalitaire landen is de sociale mobiliteit juist lager (er zijn minder stijgingskansen). De egalitaire Scandinavische landen hebben, zonder uitzondering, de hoogste sociale mobiliteit, terwijl deze in de VS het laagste is. Ook het VK en Australië staan hier opvallend laag. De cijfers over kindsterfte laten zien dat een egalitaire samenleving over de hele linie van het inkomensspectrum beter scoort: in Zweden ligt die sterfte voor de lage inkomens veel lager dan in de VS, maar ook de hoogste inkomens in Zweden scoren hier beter dan de hoogste inkomens in de VS.

    Wilkinson observeert op grond van al deze cijfers dat klasseverschillen weer belangrijker zijn geworden. De sociale piramide is hoge en hiërarchischer/spitser geworden. De kwaliteit van sociale relaties verslechtert. Er is méér statusonzekerheid. De uitersten in inkomensverschillen zijn extreem geworden: gemiddeld verdient een CEO 300 keer meer dan een ‘gewone werknemer’. Het lijkt er verder sterk op dat meer inkomensongelijkheid gepaard gaat met meer narcisme in een samenleving: mensen die aan zelfvergroting doen, talk yourself up, en die zichzelf beter vinden en zich als beter presenteren dan de realiteit laat zien. De tegenhanger hiervan is dat mensen met een fragiel ego (en die zich daarover zorgen maken) bij maatschappelijke taken vaker voelen dat zij sociale status kunnen verliezen. Zij ervaren dan een hoge social evaluative threat: juist in de situatie dat onzekere mensen zich beoordeeld weten door degenen die rijker en machtiger of invloedrijker zijn dan zijzelf, neemt de hoeveelheid stresshormonen het sterkste toe, blijkt uit onderzoek.

    Deze ontwikkelingen laten volgens Wilkinson zien dat er vooral een verbetering van de economic democracy nodig is.  Hij verwijst naar de site www.equalitytrust.org.uk

    Paul de Beer (bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen, UvA):

    Ook in Nederland wordt de inkomenskloof groter. In 1990 deden de grootste verdieners er 2 weken over om het minimumjaarloon te verdienen. In 2007 was dit gedaald tot 3 dagen. In 2011 was het weer iets opgelopen naar 1 week. De groei van de kloof is in 1984 begonnen en het is een internationaal verschijnsel. We weten niet precies waardoor het is veroorzaakt: door de privatiseringen, de verzwakte rol van de vakbonden, de deregulering, de globalisering, de technologisering, of al deze ontwikkelingen samen? Als je naar het besteedbaar inkomen kijkt is in Nederland de inkomensongelijkheid tussen 1990 en 2012 tamelijk stabiel. Dit komt door de invloed van compenserende factoren: er zijn meer huishoudens gekomen met meerverdieners, het inkomen van gepensioneerden ligt duidelijk hoger dan vroeger en er zijn meer gepensioneerden gekomen, het aantal zelfstandigen is sterk gegroeid en hun inkomensongelijkheid is kleiner geworden.

    Het is sterk bepalend hoe je de inkomensverschillen meet: kijk je naar individuele personen of naar huishoudens, naar lonen of totale inkomens, naar marktinkomen of besteedbaar inkomen, kijk je naar de uitersten of de grote middengroep? Zo laten sommige uitkomsten zien dat de inkomensverschillen afnemen en andere dat ze toenemen. Opvallend is dat de verschillen in marktinkomens nog steeds toenemen, maar dat de inkomensverdeling vanaf 2000 tamelijk vlak is. Dit toont dat in Nederland het belastingstelsel een sterker nivellerende invloed heeft dan De Beer zelf had verwacht. Het is moeilijk eenduidige beleidsconclusies te trekken, wel is duidelijk dat beleid dat zich op de onderkant en de top (de uitersten dus) richt het meest effectief is. De politieke neiging is echter om vooral veel aandacht aan de middengroepen te besteden! De Beer pleit ervoor om het sociaal minimum te koppelen aan het mediane huishoudensinkomen. Relevant is te weten dat bijna alle laagste gezinsinkomens een éénverdiener betreffen.

    Bas van Bavel  (hoofd afdeling economische en sociale geschiedenis, Universiteit Utrecht):

    We praten in Nederland voortdurend over de verschillen in inkomen en opvallend weinig over de verschillen in vermogen. Maar juist qua vermogen is de ongelijkheid in Nederland erg groot, ook bij internationale vergelijking. De Gini-coëfficient voor Nederland is 0,8 (0 = perfect gelijk, 1 = perfect ongelijk). De werkelijke ongelijkheid is nog groter doordat de pensioenrechten niet in deze cijfers zitten en omdat de topvermogens deels verborgen zijn. 60% van alle huishoudens samen beschikt slechts over 1% van het totale vermogen. De rijkste 10% heeft de helft van al het vermogen, en de rijkste 2% heeft eenderde van al het vermogen. Dus qua vermogensbezit zit Nederland in de top van de inegalitaire landen. Onze vermogensongelijkheid is zelfs groter dan die in het VK en vrijwel even groot als in de VS! Na 1980 is de vermogensongelijkheid gaan stijgen. In dat jaar had de top 500 6% van al het vermogen, nu is dat al 10%. Vooral de uitersten in de vermogensverdeling zijn de afgelopen decennia verder uiteengegroeid. Ook tijdens de economische crisis zijn de miljonairs rijker geworden. Inkomen uit vermogen is niet afhankelijk van werkgelegenheid, en kan ook bij economische teruggang gewoon doorgroeien. Het lijkt erop dat vooral de bovenkant profiteert van de globalisering en liberalisering, en daarvan blijft profiteren. De belasting op vermogen was in Nederland altijd al laag, maar is nog verder gedaald (van 2% in 2004 naar 1,8 % in 2007 naar 1,5% in 2012. In de (opvallend inegalitaire) Angelsaksische landen is de belasting op vermogen gemiddeld twee keer zo hoog als in Nederland.

    Van Bavel doet de opmerkelijke observatie dat deze ontwikkeling haaks staat op de ontwikkeling van de verzorgingsstaat. In een rijk toegeruste verzorgingsstaat is het geen levensnoodzaak om over eigen vermogen te beschikken: er zijn immers sociale voorzieningen als collectief vermogen. Maar nu we de verzorgingsstaat sterk versoberen, of pleiten voor de afschaffing ervan (Zijlstra), worden ‘gewone’ mensen afhankelijker van persoonlijk vermogen. Ook de lage inkomens hebben nu een financiële buffer hard nodig. Maar het beleid (met een hoge belasting op arbeid en consumptie en het sterk fiscaal bevoordelen van de hoogvermogenden) staat dit in de weg. Meer dan de helft van de mensen heeft helemaal of hoegenaamd geen vermogen (of zelfs een negatief vermogen).

    De gegroeide economische macht van de vermogensbezitters impliceert dat er in de economie meer accent is gekomen op beleggingsresultaten voor de korte termijn. De beleggersmacht overheerst op het algemene belang dat stabiele bedrijven en een stabiele economie nodig heeft. In toenemende mate zien we bovendien dat vermogensmacht wordt omgezet in publieke invloed. Het is naïef dat we ons niet méér zorgen maken over het simpele feit dat Murdoch, Berlusconi, Van den Ende en De Mol een groot deel van de media in hun bezit hebben (en desgewenst die mediamacht verder kunnen uitbouwen).

    Karien Stronks (hoogleraar sociale geneeskunde AMC/UvA):

    Opleiding is een betere indicator voor gezondheidsverschillen dan inkomen. Laagopgeleiden hebben gemiddeld 6 à 7 jaar minder te leven dan hoogopgeleiden. Het verschil loopt  heel gradueel, precies volgens de ‘opleidingslijn’, op. Waar een laagopgeleide man gemiddeld op zijn 53e begint met ‘sukkelen’, ligt dat voor de hoogopgeleide man op 69 jaar. Ook voor Surinamers en Antillianen liggen de gezondheidsrisico’s aanzienlijk hoger. Dus sociale positie (opleiding) en etniciteit hebben veel invloed op gezondheid(sproblemen). Hoger opgeleiden profiteren sneller en meer van nieuwe, positieve, ontwikkelingen o.a. in de levensstijl. Hier is ook het aantal rokers veel sterker gedaald.

    Gezondheidsverschillen zijn met beleid te beïnvloeden. Zie het krachtwijkenbeleid. In dergelijke wijken met een intensieve aanpak lag het aandeel burgers met een goede mentale gezondheid in 2012 op 79%, terwijl dit in 2008 73% was. (Dit is bovendien tegen de algemene trend in, die dalend is). Opvallend is dat gezondheidsverschillen naar sociale positie of etniciteit onrechtvaardig worden gevonden. Maar er is juist géén duidelijke morele verontwaardiging t.a.v. gedrag dat slecht voor de gezondheid is: beleid tegen roken of te vet eten wordt al snel als betuttelend ervaren. Dus streng beleid op dat gebied heeft wel een objectieve rechtvaardiging (goede kans dat het werkt), maar mist toch vaak legitimiteit. Hoewel de inkomensverschillen in Nederland relatief gering zijn, zijn de gezondheidsverschillen bij ons juist tamelijk groot.

    In de korte forumdiscussie beaamt Paul de Beer dat we te weinig kijken naar de vermogenskant en daar ook te weinig over weten. We onderzoeken vooral dáár waar het licht van de lantaarn schijnt. Er is overeenstemming dat we niet terug moeten naar een hoge mate van inkomensgelijkheid, want dat verzwakt de economische prikkel teveel; tegelijk is er méér oog nodig voor te heftige prikkels die perverse effecten hebben (denk aan de bonuscultuur en de extreem hoge salarissen in bepaalde sectoren met tegelijk risicozoekend gedrag). Overigens, juist degenen die relatief arm zijn ervaren sterke financiële prikkels (zoals schulden) om uit hun situatie te geraken. Degenen aan de onderkant zijn de afgelopen jaren echt armer geworden. Dat werkt dóór (Stronks) in de gezondheid, maar ook in een vermindering van sociaal vertrouwen en een verzwakking van de sociale structuur (Wilkinson). Met een wat reëler belastingniveau op vermogen haal je zo 6 mld binnen (Van Bavel) en dan kun je met de benodigde intensiteit iets doen om de opgelopen achterstand van de ‘onderkant’ weer goed te maken, met allerlei positieve effecten op sociale cohesie, vermindering van crimineel en desruptief gedrag, en op gezondheid, als positief gevolg. Zo komt er ook meer evenwicht in de overheidsaandacht voor het begrotingsdeficit enerzijds, en voor het sociale deficit anderzijds (Wilkinson).

    Reacties

    Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
      • Hadewych
        Hadewych 1366 dagen geleden

        Christine Lagarde maakt zich zorgen over de toenemende inkomensongelijkheid in de wereld, en instabiele economische ontwikkelingen: “rising inequality and economic exclusion can have pernicious effects. It can undermine economic, social—and perhaps even political—stability. It can tear the very fabric that holds society together.” Ze pleit voor onderwijs en voor aanpassing van onderwijs in het licht van technologische ontwikkelingen: het middel bij uitstek om de mensheid voor te bereiden op een goeie toekomst.

        Een Nederlands samenwerkingsverband van bedrijven en ideële organisaties laat door middel van Trueprice zien welke (externe) kosten er zijn bij de productie, die worden afgewenteld op de samenleving. Over het algemeen lukt het de rijken beter om zulke kosten af te wentelen dan armen, zodat de ongelijkheid verder toeneemt.

      Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers