Pleio

Engels | Nederlands

Als knuppel en zakdoek vrij spel hebben zijn verwarring en chaos troef

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 888
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1026 dagen geleden

     0/5 Sterren (0)

    Als knuppel en zakdoek vrij spel hebben zijn verwarring en chaos troef
    • een ongevraagd maar welgemeend advies over de organisatie van drang en dwang

    In een tijd van grote stelselwijzigingen volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. Vanaf 1 januari 2015 is de Jeugdwet van kracht. Deze wet vervangt de Wet op de Jeugdzorg uit 2005. De vernieuwing betekent zowel een transitie – verplaatsing van verantwoordelijkheden, rollen en bevoegdheden – als een transformatie; een inhoudelijke verbeterslag. Ook beoogt de Jeugdwet een substantiële vermindering van bureaucratie voor alle betrokken instanties.

    De gemeenten hebben bij de uitvoering van de Jeugdwet een regierol. Zij zijn verantwoordelijk voor de afspraken met en inzet van uitvoerende organisaties in de hulp.  Voor de (regionale) taken op het terrein van huiselijk geweld en kindermishandeling en de jeugdbescherming en jeugdreclassering geldt dat het aan regionaal samenwerkende gemeenten is om te bepalen op welke schaal – maar in ieder geval bovenlokaal – zij de uitvoering daarvan gaan organiseren.

    De advies en meldpunten kindermishandeling (AMK’s) gaan samenwerken met de steunpunten voor huiselijk geweld (SHG’s). Jeugdbescherming en jeugdreclassering worden, conform de Jeugdwet, uitgevoerd door organisaties die in het bezit zijn van een geldig certificaat als uitvoerder voor jeugdbescherming en/of jeugdreclassering.

    Als gevolg van al deze veranderingen dreigen meerdere bureaus jeugdzorg nog vóór de overgang naar het nieuwe stelsel failliet te gaan. Gemeenten kunnen namelijk meerdere gecertificeerde instellingen vragen om deze taak uit te voeren. Hierdoor ontstaat er ruimt voor marktwerking. Maar ook ontstaan er verschillende werkwijzen binnen ‘dwang en drang’ en de informatieoverdracht tussen de verschillende instanties.

    Omwille van het bovenstaande zijn er landelijk nadere waarborgen afgesproken. Deze komen – kort gezegd – neer op een budgetgarantie van gemeenten aan de Bureaus Jeugdzorg van minimaal 80% van het budget in 2014. Desondanks stagneert de vorming van de AMHK’s en gecertificeerde instellingen op meerdere plekken in Nederland. Volgens mij vooral, omdat ze direct gekoppeld worden aan de discussie over wat er met de Bureaus Jeugdzorg in Nederland moet gebeuren. Hierdoor gaat het vooral over organisatiebelangen en frictiekosten en niet meer over de inhoud. Terwijl juist de inhoudelijke visie en ontwikkeling aangaande de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (huiselijk geweld en kindermishandeling) hierbij centraal zou moeten staan. Ik vind dan ook dat aard en inhoud van de landelijke afspraken inbreuk doen op het beoogde dan wel gewenste proces van omvorming. Omdat zij teveel uitgaan van en voortborduren op de huidige situatie en regelingen.

    We dienen straks vooral minder schakels in de keten te realiseren. Want al die schakels kosten geld, betekenen nieuwe gezichten voor ouders en jeugdigen en gaan gepaard met verlies van informatie. Uitvoerende professionals en hun organisaties moeten daarom meer verantwoordelijkheid krijgen. Ook als het gaat over dwang en drang. Juist dit type jeugdige en zijn/haar hulpvraag is gebaat bij korte lijnen en de zekerheid van een dekkend zorgaanbod. Instellingen kunnen dit niet alleen, hiervoor moeten zij samenwerken. De overheid moet daartoe wel sturen op deze samenwerking. De nu gemaakte afspraken sturen – onbedoeld én ongewenst – op meerdere ‘regisseurs’ aan de keukentafel.

    Het AMK doet onderzoek, maar verleent zelf geen hulp. Bureau jeugdzorg indiceert, maar verleent zelf geen hulp. De Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoek, maar verleent zelf geen hulp. En als er dan eenmaal een gezinsvoogd is aangesteld, dan verleent ook die geen hulp, maar zorgt dat de hulp in het gezin komt (zie: www.kinderrechtencollectief.nl).  Hieruit voortvloeiende knelpunten zijn -  onder andere – dat:

    • na een melding het accent komt te liggen op onderzoek in plaats van op directe interventies;

    • onderzoek zowel door het AMK als door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gedaan (dubbel werk waarbij de een het werk van de ander lijkt over te doen);

    • kinderen en hun ouders veel te lang moeten wachten op hulpverlening;

    • kinderen kwijt raken in de keten doordat zaken van de ene instantie naar de andere worden overgedragen.

    Dit alles brengt ons terg bij af. Terwijl de transities juist een kans bieden om vernieuwingen en verbeteringen door te voeren. Daarop zou de focus moeten liggen. En niet op al dan niet omvallende organisaties. Wij hebben immers gezamenlijk de dure plicht jegens jeugdigen en (hun) ouders om de overdracht en omvorming te gebruiken om fundamentele verbeteringen door te voeren.

    De transitie en transformatie bieden een uitgelezen kans om systeemfouten te elimineren. Maken het mogelijk om én een kwaliteits- én een efficiencyslag te maken. Dit kan, door een helder onderscheid te maken tussen hulpverlening aan de ene kant en dwang en drang aan de andere kant. De advies-, meld- en onderzoeksfunctie van het AMK kan daarbij het beste ondergebracht worden in het hulpverleningskader.  En de Raad van de Kinderbescherming en de jeugdbescherming en jeugdreclassering kunnen best – en op landelijk niveau - aan elkaar verbonden worden. De meerwaarde van aparte instanties wordt in de uitvoering vaak niet ervaren. En als zij ervaren wordt, dan is het als een vertraging. Dit kan dus efficiënter. Samenvoeging komt kwaliteit en snelheid van het werk ten goede. Het lijkt daarom logisch om het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te verbinden aan de dwang- en drangketen.

    In het verlengde van het bovenstaande zou er één landelijke organisatie kunnen komen waarin de Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdbescherming en de jeugdreclassering (en ja, ook Halt) worden ondergebracht. Deze organisatie kan zich – op basis van gebundelde krachten – bezig houden met situaties waar drang en drang noodzakelijk is.

    Het AMHK moet onderdeel worden/zijn van een laagdrempelige, directe en outreachende aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling en daarbij de opdracht moeten krijgen om de huidige kritiek (1) (zie: www.kinderrechtencollectief.nl) op het AMK te ondervangen.

    Er zijn verschillende initiatieven die laten zien dat bij een gerichte, integrale, directe en laagdrempelige aanpak, huiselijk geweld, kindermishandeling en maatregelhulp teruggedrongen kunnen worden. Zonder – of met een minimale inzet van – dwang en drang. Kijk eens naar het Frontlijnteam in Heechterp-Schieringe (Leeuwarden) en de nieuwe aanpak van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam: generiek gezinsgericht werken. Bij beide initiatieven staat de eigen kracht van de gezinnen centraal. Het hele gezin staat centraal en niet uitsluitend het individuele kind.

    Resultaten van zeer intensieve en systeemgerichte hulpverlening (hulp aan uithuisgeplaatste, achterblijver(s) en eventueel betrokken kinderen), opgestart na het opleggen van een huisverbod tonen aan dat dit bijdraagt aan het verminderen van nieuw huiselijk geweld (Regioplan - Effectief uit huis geplaatst; 2013).  

    Het zou een doorbraak betekenen – en de huidige impasse kunnen opheffen – als er vanuit de overheid – op inhoudelijke gronden – een duidelijk besluit wordt genomen om hulpverlening enerzijds en dwang en drang anderzijds duidelijk – en van elkaar te scheiden. Een keuze voor één landelijke organisatie voor drang en drang kan daaraan bijdragen. Als deze organisatie op het niveau van de politie- en justitieregio’s vestigingen heeft, kunnen knuppel en zakdoek (dwang of drang) bijspringen of meelopen bij de uitvoering van het werk door robuuste, breed georiënteerde medewerkers binnen de lokale teams en hen zo in staat stellen jeugdigen en/of hun ouders/omgeving te motiveren tot het pakken en benutten van (nieuwe) kansen. Organisatorische centralisatie dus, als bijdrage aan inhoudelijke decentralisatie.  

    (1)

    • Het is onaanvaardbaar dat tijdens het onderzoek (gemiddeld drie maanden) geen van de betrokken partijen waakt over de veiligheid van het kind.

    • De hulp die er vervolgens komt (…) is te vaak algemeen van aard, gericht op diagnoses die de kinderen bijvoorbeeld ook hebben, bijvoorbeeld ADHD, of op opvoedproblemen in het algemeen. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de mogelijke psychotraumatische gevolgen van de mishandeling die het kind zelf ervaart. En is veiligheid in het gezin te vaak niet het leidende thema in de hulpverlening,  maar is dit ‘verkapt’ ondergebracht in een algemene aanpak.

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers