Pleio

Engels | Nederlands

Gepaste afstand

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 108
    Door Peter Paul J. Doodkorte 2120 dagen geleden Reacties (1)

     0/5 Sterren (0)

    In het toekomstige stelsel van de zorg voor jeugd heeft de gemeente een belangrijke regierol. In de dagelijkse uitvoering zal deze belegt worden bij een van de collegeleden. Als nu de wethouder wordt gezien als de regisseur van het brede jeugdbeleid, dringt zich de vraag op welke attitude daarbij nu het meest passend is. Her en der zien we dat er zeer bevlogen wethouders zijn zie zich actief inzetten om te komen tot een gemeenschappelijke visie tussen gemeente en haar partners. Deze bezielde werkhouding kan zich echter ook gemakkelijk vertalen in de neiging zich direct te mengen in de dagelijkse werkpraktijk van professionals. Goed bedoel wellicht, maar ook misplaatst.

     

    Het vraagstuk van de dynamiek van Afstand en Nabijheid is voor veel professionals een vertrouwd thema in het dagelijkse werk. Het is, voor alle bij de transformatie van de jeugdzorg betrokkenen dan ook een boeiende uitdaging hieraan vorm en inhoud te geven. In de wetenschap dat dit een weg is die niet ontbloot is van valkuilen.

     

    De eerste stap op deze weg is een heldere definities van rollen. Het uitgangspunt van beleid en vormgeving rond de transformatie van de zorg voor jeugd bijvoorbeeld is, dat ouders primair zelf verantwoordelijk en aanspreekbaar zijn voor de opvoedingsverantwoordelijkheid. Het handen en voeten geven aan die ‘eigen kracht-principe vergt van hen ondersteunden professionals primair een houding van ‘zorgen dat’  in plaats van ‘ zorgen voor’. Anders gezegd: professionals moeten niet ‘overnemen’, maar ‘invoegen’. Vervolgens dient dit principe op alle opvolgende niveaus – van uitvoering tot en met wetgeving – op gelijke wijze invulling te krijgen. Dit vergt van managers/directeuren evenzeer de bereidheid dat zij de eigen kracht van hun professionals als uitgangspunt nemen. En vervolgens, dat gemeenten in hun sturingsafspraken met uitvoeringsorganisaties zich richting op afspraken over het resultaat, en niet over de procesgang. Wat weer met zich brengt, dat de rijksoverheid ervoor moet waken dat zij de beleidsdoelstellingen vertaalt in gedetailleerde wet- en regelgeving. Kortom, er dient op alle niveaus en werkrelaties sprake te zijn van ‘gepaste afstand’.

     

    Als wij er – ieder op ons eigen niveau –  niet in slagen, de balans te bewaken tussen vertrouwen en nabijheid en gepaste afstand is het stelsel van zorg voor jeugd heel gemakkelijk uit evenwicht te brengen. Hetgeen er toe zal leiden dat incidenten het beleid zullen bepalen.  

     

    Wat dit alles betekent voor de rol van de regisserende wethouder? Het vergt een grote mate van betrokkenheid (maatschappelijke engagement) op doel en resultaat. Passie, zo u wilt. Die passie moet zich richting professionals niet vertalen in een de werkuitvoering bepalende bemoeizucht, maar in een aanjagende, uitdagende en ruimtebiedende houding. Een houding die de professional ook geacht wordt in te nemen jegens opvoedingsverantwoordelijken. De interactie tussen de verschillende niveaus kan de bezieling en daarmee de creatie(ve)kracht daarvan en daartussen voeden. Zeker als er sprake is van een duurzame wisselwerking. Als mensen – ook op langere termijn – elkaars wederzijds positie en verantwoordelijkheden respecteren en waarderen. En van daaruit met elkaar in gesprek blijven en gedachten en ervaringen kunnen uitwisselen. Dit vraagt de lenigheid om ‘in de huid van de ander’ te kunnen kruipen, zonder zijn of haar positie over te nemen. En juist daar ligt ook het gevaar van te grote passie en betrokkenheid: het doorkantelen van de kaderstellende en voorwaardenscheppende rol naar ingrijpen in resp. overnemen van de uitvoering. De meeste gepaste houding daarbij is – voor professional richting opvoedingsverantwoordelijken en voor de wethouder richting professionals: “Wat heb jij van mij nodig, om jouw werk goed te kunnen doen? De afspraak dat beiden zich naar vermogen zullen inspannen om het afgesproken resultaat te leveren is daarvan de keerzijde.

     

    Het bovenbeschreven proces is niet nieuw. Sterker nog, het is feitelijk de basis van alle opvoeding:  zelfstandigheid stimuleren is: je kind durven loslaten.

     

    Je wilt je kind opvoeden tot een zelfstandig en onafhankelijk persoon. Maar dat is niet altijd gemakkelijk. Waarom niet? En hoe stimuleer je ouw kind om zelfstandig te zijn? Hoe en wanneer begin je jouw kind los te laten, en hem stukje bij beetje de verantwoordelijkheid te geven voor zijn eigen leven?

    Ondanks al je goede voornemens is het vaak moeilijk om je kind in de praktijk zijn eigen boontjes te laten doppen. Daar zijn verschillende redenen voor:

    • Vaak gaat het sneller en gemakkelijker om iets voor je kind te doen. Veters strikken, boterham smeren, tanden poetsen: als je dit je kind laat doen, duurt het veel te lang voor je gevoel. Je gemakzucht en ongeduld nemen het dan vaak over.
    • Vaak beschouw je de worstelingen en mislukkingen van je kind ook een beetje als je eigen mislukkingen. Dat komt doordat je je zo verbonden voelt met je kind. Het is lastig om iemand die zo dicht bij je staat, te laten worstelen en fouten te zien maken. Zeker als je weet dat een paar wijze woorden van jou je kind veel teleurstelling, frustratie of pijn kunnen besparen.
    • Het voelt heel fijn om voor je kinderen te zorgen. Om te weten dat ze je nodig hebben. Als je merkt dat je kind je niet meer nodig heeft, dan is dat niet leuk.

     

    Het is een begrijpelijke ouderlijke reflex om je kind advies te geven als hij ergens mee worstelt. Of zelfs een antwoord voor te schrijven/op te dringen. Maar met pasklaar advies is hij ook niet altijd geholpen. Net als ouders worstelen systemen en systeemhouders met de tegenstrijdige gevoelens van het ‘ouderschap’.

     

    Bezielde bestuurders, net als bezielde professionals, zullen en mogen bijzonder begaan zijn met de mensen voor wie zij en wij allemaal werken. Maar, zoals de SIRE-campagne “Handen af van onze hulpverleners” ons leert: Laat de hulpverleners hun werk doen en laat omstanders op gepaste afstand blijven. De keerzijde daarvan voor hulpverleners is aanspreekbaarheid op het resultaat en de bereidheid tot het nemen van verantwoordelijkheid resp. het geven van verantwoording. Het gepast omgaan met deze verhoudingen, is van betekenis voor  het vertrouwen in en vertrouwen op elkaar. In het Engels kunnen deze worden omschreven als confidence en trust. In het Nederlands is dit het onderscheid tussen vertrouwen op en vertrouwen in. Of van het één of het ander sprake is hangt af van het maken van een bewuste keuze (of juist niet) en of de relatie tussen de ‘schenker’ en ‘ontvanger’ van vertrouwen vrijwillig (trust) of opgelegd (confidence) is. Vertrouwen is een manier om de confrontatie met de complexiteit van dit vraagstuk hanteerbaar te maken; simpelweg door vertrouwen te schenken. Vertrouwen kan juist hierdoor verplichtend werken: het schenken van vertrouwen brengt de plicht voor de ander met zich mee om dat ook waar te maken.

     

    Reacties

    Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
      • Rob van der Pijll
        Rob van der Pijll 2119 dagen geleden

        Mooi artikel Peter Paul.
        De analogie met opvoeden is helder uitgewerkt.
        Laat de professional zijn/haar werk doen en stuur op het resultaat, niet op de inhoud, dat spreekt mij aan.

      Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers