Pleio

Engels | Nederlands

Het is niet het onbelangrijkste deel van een taak te weten hoe je hem aanpakt

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 54
    Door Peter Paul J. Doodkorte 1742 dagen geleden

     0/5 Sterren (0)

    In het kader van de transformatie van de jeugdzorg komt in menige discussie de vraag aan de orde, of zorg voor jeugd zo laagdrempelig wordt als ze behoort te zijn, wanneer wij ze duidelijk(er) en fysiek scheiden van de jeugdbescherming, jeugdreclassering, Raad voor de Kinderbescherming en/of het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Ik ben daar geen voorstander van.

     

    Overigens, het is de vraag wie welke voorziening waar positioneert. Zijn het de ouders en jeugdigen die deze aversie hebben, of zijn het vooral de professionals die dit debat voeden en voeren? Ik volg niet zelden met een gevoel van schaamte de discussie en opvattingen over dit thema van en tussen professionals onderling. Het positioneren van bijvoorbeeld het AMK in de hoek van politie/justitie is helemaal niet zo vanzelfsprekend. Er zijn allerlei vormen van mishandeling – verwaarlozing bijvoorbeeld – die niet snel leiden tot een justitieel onderzoek c.q. maatregel. Iedere burger – en zeker een professional – die een vermoeden van kindermishandeling heeft, moet dat melden bij het AMK. Na onderzoek lukt het heel vaak om vrijwillige hulpverlening in te zetten. Minder dan 15 % van alle AMK-onderzoeken leidt uiteindelijk tot een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming. Wat ook nog niet altijd leidt tot een maatregel.

     

    Bureaus Jeugdzorg hebben – niet zelden onterecht – het imago dat ze 'je kind afpakken'. Dat maakt dat veel ouders de jeugdzorg zijn gaan mijden. Recent nog sprak ik een medewerker van een gerenommeerde jeugdzorginstelling die voogdijtaken vervult. Zij vertrouwde mij toe: “Als er iets met mijn kinderen aan de hand is, zal ik nooit – echt nooit – naar de jeugdzorg gaan.”

     

    Het imago van de zorg voor jeugd verandert niet door een stelselwijziging of optische scheiding . Sterker nog, door ogenschijnlijk een scheiding aan te brengen die per saldo toch de deur tot maatregelhulp blijkt, bevestig je eerder de onbetrouwbaarheid van het stelsel en haar medewerkers. En juist dat werkt drempelverhogend.

     

    Onderscheid tussen jeugdhulpverlening en justitiële hulp wordt vooral bepaald door herkenbaarheid, kwaliteit, de wijze waarop de hulp geboden wordt en de mate van betrokkenheid van ouders/verzorgers. Als we het primaat laten liggen bij ouders en dienstbaar zijn aan hun plan (zelfregie), dan moet het helder zijn dat zij opdrachtgever zijn en dat professionals niet zomaar zullen interveniëren.

     

    Ik ben het zeer eens met mensen die het opvoedingsprimaat bij de ouders leggen, maar als het niet anders kan, moet je durven en kunnen ingrijpen. Je haalt daarbij – als uiterste consequentie – niet zomaar een kind thuis weg.  Maar, als kinderen bij het opgroeien werkelijk bedreigd worden in hun veiligheid en integriteit moet er van buitenaf ingegrepen worden. Professionals moeten dit kunnen en durven benoemen en hun diensten aanbieden.

     

    Die afweging moet uiteraard zorgvuldig genomen worden. Hoe je tot een dergelijk ingrijpende maatregel komt, moet wel meer en beter methodisch uitgediept worden. In de praktijk blijkt te vaak dat ‘angst’ voor fouten of agressie niet – of veel te laat - tot adequaat ingrijpen leidt. De professional moet hieraan veel meer aandacht besteden.

     

    Er zijn maar weinig ouders die hun kinderen als plezierig tijdverdrijf mishandelen. Maar opvoedingsonmacht, angst, etc. doet rare dingen met mensen. Per jaar worden zo’n 120.000 kinderen het slachtoffer van mishandeling door hun ouders. Meer dan een opgeheven vingertje past het professionals om met respect naast ouders en kinderen te gaan staan en hen – eventueel met inschakeling van het netwerk eromheen – te helpen om het beter te doen. Maar dan wel op basis van een spijkerhard veiligheidsplan. Vertrouwen win je door respect tonen en dienstbaar te zijn aan het plan van ouders. Iedere kanen moet  – vanuit betrokkenheid met het kind – ouders aanspreken en benoemen wat hij/zij feitelijk ziet. Aanspreken kan altijd. In de discussie en aanpak dreigt juist dat wel eens uit het oog verloren te raken: dat rechten van ouders (en ook die van professionals) gefundeerd zijn op hun zorgplicht! Een belangrijk interventiemiddel daarbij blijkt overigens het doorbreken van gegroeide patronen. Als die patronen zijn doorbroken, ontluiken er nieuwe werelden.

     

    De essentie van deze discussie is dat het – bij zowel voor- als tegenstanders van de transformatie van de zorg voor jeugd – vaak bij goede intenties blijft. De aandacht die wordt besteed aan de kwaliteit van de medewerkers en het proces om tot die zorgvuldige afweging te komen is vervolgens onvoldoende. Veel verder dan de conclusie dat de regiefunctie goed geregeld moet worden, zijn of is, komen we nog niet.

     

    De fundamentele veranderingen in de zorg voor jeugd die wij wensen, nopen ons tot een besef van verbondenheid. De kwetsbaarheid en afhankelijkheid van jeugdigen en hun ouders van onze professionaliteit dagen uit tot het vormgeven van die onderlinge verbondenheid en verantwoordelijkheid. Werkend vanuit die ondersteuningsgedachte heb je als betrouwbaar professional een veel betere ingang bij ouders en kinderen. In plaats van praten over 'kindermishandeling' heb je het dan over 'opvoedingsonmacht' en kan je samen werken aan het welzijn van ouders en kinderen (Signs of Safety).

     

    Wat mij betreft dus maximaal integreren. En ja, wij zullen er in een aantal gevallen uiteindelijk niet aan kunnen ontkomen om toch ingrijpende maatregelingen toe te moeten passen. Ook voor het toekomstige CJG zal hiervoor in de toekomst een taak liggen. Maar laten wij het stelsel niet bouwen en inrichten op dat wat wij willen vermijden, maar op dat wat wij willen realiseren. Het integreren van de maatregelhulp in de zorg voor jeugd hoeft daarbij zeker niet te betekenen dat we broodnodige samenhang, deskundigheid en ervaring verliezen. Want integratie aan de voorkant (aan de primaire opvoedmilieus verbonden teams van professionals) staat beslist niet in de weg dat deze professionals backoffice hun borging en ondersteuning krijgen in en door bovenlokaal georganiseerde instituties.

     

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers