Pleio

Engels | Nederlands

Vertrouwen is goed, controle is beter (?). Maar wat, als de controlemechanismen niet deugen?

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 724
    Door Peter Paul J. Doodkorte 965 dagen geleden

     0/5 Sterren (0)

    Vertrouwen is goed, controle is beter (?). Maar wat, als de controlemechanismen niet deugen?
    • Hoe minder je hebt te bieden, hoe mooier je de verpakking maakt.

    “Hoe minder je hebt te bieden, hoe mooier je de verpakking maakt,” aan dit zinnetje van Gerrit Komrij moest ik denken toen ik de berichten over de instelling van de Transitieautoriteit Jeugd (TAJ)  las. De TAJ is opgericht in opdracht van de staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en van Veiligheid en Justitie (VenJ). Zij is haar werk op 1 april 2014 gestart. Nu, drie weken later, is de TAJ nog niet veel meer dan een website en een voorzitter (Marianne Sint).

    Ik moest ook aan dat zinnetje denken ton ik deze week op de VNG-site een ronkend bericht las over het Regieberaad Jeugd. Volgens dit bericht werken de transitiemanagers van de 42 regio’s samen aan een zachte landing voor de transitie van de jeugdhulp. En ja, her en der in het land zie ik transitiemanagers meer of minder intensief samenwerken. Tot zover is er nog niks mis met het bericht.

    Volgens datzelfde bericht echter rapporteert het Regieberaad maandelijks aan de VNG de vooruitgang. De VNG spreekt die voortgang dan weer door in het bestuurlijk overleg met staatssecretaris Van Rijn (VWS). Die werkelijkheid echter is anders. Bleek mij ook als deelnemer aan datzelfde Regieberaad op 16 april jl. Het Regieberaad richt zich – op geleide van de landelijke regisseurs – vooral op de implementatie van de transitie. En op het vinden van praktische oplossingen voor transitievraagstukken die zich in 2014 voordoen. Dat zijn dan – in de optiek van het rijk en de VNG – vooral onderwerpen die om bovenregionale en landelijke coördinatie vragen. Voorbeelden daarvan zijn de afspraken over landelijke inkoop, modelovereenkomsten en de ontwikkeling van een declaratiesysteem. Zo bezien lijkt het beraad vooral terug te voeren op blauwdruk-denken. Terwijl de decentralisaties binnen het sociaal domein nu juist beogen ruimte te creëren voor lokaal maatwerk. En juist daarmee lijkt de landelijke grote moeite te hebben. Zoals er ook nog steeds veel argwaan blijkt richting de daadkracht van gemeenten en uitvoerende professionals.

    Loopt de transitie dan altijd en overal gesmeerd? Ik zal de laatste zijn die dat beweert. De oorzaak daarvan is echter met name terug te voeren op de grootste boosdoener: het eerder genoemde – vermaledijde – blauwdruk-denken. Terwijl wij juist daarvan nu echt afscheid moeten nemen. De transitie van de jeugdzorg zal – net als de transitie van AWBZ-taken naar gemeenten per 2015 – niet in één keer klaar zijn. Zeker omdat er ook een transformatie met bezuinigingen aan gekoppeld is, is het een veranderproces van enkele jaren. Tijdens dit proces zal zeker niet alles goed lopen, zullen er onverwachte gebeurtenissen plaatsvinden en onbedoelde effecten optreden. Het zal elke gemeente er veel aan gelegen liggen om onverwachte problemen zoveel als mogelijk te voorkomen, en als er al problemen de kop opsteken deze snel in de kiem te smoren. Daarvoor is het nodig dat gemeenten alertheid, flexibiliteit en verbinding met het operationele veld organiseren. Dát zijn de voorwaarden om veerkrachtig op onverwachte problemen te kunnen reageren. Het biedt de mogelijkheden om in een complexe situatie te improviseren en alternatieven te creëren.

    De verstikkende en achterdochtige controlezucht van de overheid verhoudt zich daarmee slecht. Zij richt zich vooral op een zachte landing van de overdracht van taken. Die, zoals eerder aangegeven – gepaard gaat met een (stevige) financiële taakstelling. Een haalbare financiële taakstelling. Tenminste, als er naast de overdracht van taken ook ruimte is voor omvorming daarvan. Anders gezegd: de overdracht zal niet het beoogde effect hebben, als er niet ook en andere uitvoering mogelijk wordt. De beschikbare tijd daarvoor is echter te kort en alle actoren worden daarom uitgedaagd zich te focussen op de transitie.

    Onder het mom van duidelijke randvoorwaarden waarbinnen iedereen op volle kracht door kan werken om van het nieuwe jeugdstelsel een succes te maken, worden bij voortduring landelijk deelakkoorden (budgetgaranties Bureaus Jeugdzorg, inkoopafspraken jeugd-GGz) gesloten. Deze richten zich vooral op het overeind houden van bestaande instituties en regelgevingen. (Nieuwe) toezichthouders, zoals de  TAJ  en de transitiecommissie Stelselherziening Jeugdzorg (TSJ) monitoren de voortgang daarvan.  Zij bewijzen hun nut en noodzaak natuurlijk graag. Dus vinden zij altijd wel de nodige verbeterpunten. Die van achter een tekentafel weer leiden tot nieuwe interventies. Daarbij en daar bovenop worden gemeenten bedolven onder een tsunami van goedbedoelde (dat dan weer wel) handreikingen. Handreikingen die vooral de landelijk gemaakte keuzes en de werking daarvan uit te leggen. En daarmee onbedoeld toch weer werken als een blauwdruk voor de kleurplaat die gemeenten werd voorgespiegeld om te komen tot effectief partnerschap met inwoners en aanbieders in het veld van jeugd.

    Deze focus op de transitie alleen kost onverantwoord veel geld en leidt niet of nauwelijks tot betere zorg en dienstverlening.

    De gewenste én noodzakelijke omvorming van het stelsel brengt met zich dat de bestaande werkelijkheid niet klakkeloos voortgezet kan worden. Het vraagt om improviserend ontwerpen in plaats van het werken volgens een lineair proces. De gemeenten moeten iets nieuws maken. Niet door bestaande oplossingen te reproduceren, maar door onderdelen te recombineren tot iets nieuws. Een belangrijke voorwaarde daarbij is wel dat alle actoren bereid zijn over de schaduw van het eigen belang heen te stappen: je doet mee ten behoeve van de gemeenschap, niet om het eigen belang te waarborgen.

    De hiervoor beschreven bedilzucht van het rijk laat zich dus wellicht goed verkopen en aanzien als een mooie verpakking, maar werkt voor de inhoud verstikkend. De ‘drift’ tot beheersing lijkt verbonden aan een misplaatste obsessie op veiligheid. Er blijft een te groot geloof dat door steeds betere en verfijnde regelgeving op allerlei vlak, elk risico kan worden uitgesloten en beheersbaar gemaakt. We accepteren niet dat er voor sommige problemen (nog) geen oplossing voor handen is. Werknemers op de ‘werkvloer’ – waaronder de transitiemanagers – zijn daardoor steeds meer tijd kwijt aan rapportage en verantwoording over de voortgang daarvan. De eigenlijke opdracht komt juist daarmee in het gedrang.

    Het hele doen en laten van de rijksoverheid en haar bestuurpartners heeft zo langzaam maar zeker veel weg van een – volgens het affiche – prachtige voetbalwedstrijd.  Bij uitvoering echter wordt zij doodgefloten door een scheidsrechter die het spel absoluut niet aanvoelt. De beoogde ‘zachte landing’ van de zorg voor jeugd en gezin lijkt juist daardoor te mislukken.

    Als de decentralisatie van de jeugdhulp zich blijft toespitsen op de wenselijkheid, uitvoerbaarheid en doeltreffendheid van de transitie, verdwijnen aanleiding en doel daarvan naar de achtergrond. Bovendien miskent het blauwdruk-denken dat de implementatie meer kans van slagen heeft als de betrokkenen gezamenlijk op zoek gaan naar een oplossing. Anders gezegd: er is geen sprake van smering van het proces, maar van droge wrijving.  Dat vreet energie, leidt de aandacht af en zal – per saldo – meer tijd vergen om het gewenste effect te bereiken. Het verminderen van deze wrijving vraagt om een loslaten, minder starre sturing en meer decentrale ruimte. Lukt dat niet, dan zal de paradox van de zelfbeschikking die richting gemeenten, aanbieders, professionals en inwoners wordt gepredikt en nagestreefd, juist het tegenovergestelde effect met zich brengen.

    Het is duidelijk dat voor de beoogde omslag in denken en doen van gemeenten, aanbieders en inwoners een transformatie nodig is. Dit is een stelselwijziging waarin nieuwe arrangementen worden vormgegeven, nieuwe verantwoordelijkheden en bevoegdheden ontstaan. Net als andere vormen van samenwerking en rolverdelingen tussen maatschappelijke partners, bewoners, ondernemers en overheid. Deze zoektocht naar nieuwe verhoudingen biedt veel kansen. Het vergt ook het lef onder ogen te zien dat daarbij grilligheid behoort. Wie dat alomvattend wil organiseren en beheersen krijgt geen zachte landing, maar een crash.

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers