Pleio

Engels | Nederlands

Je moet niet kijken hoe het zat, maar hoe het zitten moet.

    Peter Paul J. Doodkorte
    • iedereen (publiek zichtbaar)
    • 506
    Door Peter Paul J. Doodkorte 899 dagen geleden

     4/5 Sterren (2)

    Je moet niet kijken hoe het zat, maar hoe het zitten moet.
    • Het einde van het blauwdrukdenken

    Het is moeilijk bescheiden te blijven”, die oude hit van Peter Blanker sprong mij afgelopen woensdag tussen de oren. Ik had net het bericht gelezen dat kopte “Schaalvergroting gemeenten heeft haar grenzen”. Over een onderzoek van Inter Actus. De conclusie? Schaalvergroting naar meer dan 100.000 inwoners is niet het middel om gemeenten van hun financiële- en uitvoeringsproblemen te verlossen. De optimale schaal ligt tussen de 30.000 en 80.000 inwoners. Grote (deel)gemeenten met meer dan 80.000 inwoners zijn volgens hen niet kostenefficiënt, de band met de burger is beperkt en de afstand van de gemeente tot haar burgers neemt toe.

    Vanaf het begin van de grote decentralisatieoperaties heb ik mij tegen het denken in grootschaligheid verzet. Precies vanwege bovenstaande bevindingen.

    De tijd van denken in groot, groter en grootst is voorbij. De daarvoor benodigde systemen van beheersing zijn te ingewikkeld en te onpersoonlijk. Het kost alleen maar geld, je blijft reorganiseren en het bestuur komt steeds verder van de burger af te staan. Belgische toestanden dus. Daar is het Vlamingen tegen Walen. Hier is het overheden tegen elkaar.

    De overdracht binnen en omvorming van ons sociaal domein wordt door de systeemdenkers en machtsdenkers ook wel gezien als een winst van de "kleinburgerlijken", de "provincialen". De lakeien van het systeemdenken doen niets anders dan het preken van wantrouwen en verdeeldheid. Vooral, om het systeemdenken – door Wouter Bos nog maar onlangs getypeerd als ‘stalinisme’ – verder uit te bouwen. Gelukkig zijn er ‘in de provincie’ nog alternatieven te vinden.

    Ik laat mij niet door een anonieme ‘machine’ vertellen wat ik wel of niet mag. Wat ik wel of niet moet doen. Daarvoor is mijn commitment nodig. Een ‘contract’ of afspraak met mensen die mij in de ogen hebben gekeken werkt nu eenmaal anders dan anonieme abstracties. Dat vraagt persoonlijke kennis. En vertrouwen.

    Er waren meer nieuwskoppen die mij de wenkbrauwen deden fronsen. Zo was er de hartenkreet van VNG-voorzitter Jorritsma: 'Rijk werkt gemeenten op drie manieren tegen'. “Drie maar”?, dacht ik nog, terwijl ik direct de linkt legde met een boek dat ik dezer dagen – ik geniet een paar dagen vakantie – las: ‘In vertrouwen’, de jongste thriller van Karen Rose. Een aanrader trouwens. Het verhaal draait om elkaar niet vertrouwende veiligheidsdiensten van een en dezelfde overheid. Waardoor de ene dienst de beoogde resultaten van de andere dienst frustreert, manipuleert of zelfs ten gronde richt. De opdracht komt desondanks tot een goed resultaat.  Dankzij mensen die elkaar blindelings kunnen vertrouwen. Daarbij is de vorm van de samenwerking afhankelijk van het soort taak en de taakinhoud.

    Om die reden ook ben ik het niet automatisch eens met de conclusie van de vierde rapportage van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd (TSJ) die dinsdag openbaar is gemaakt. Volgens de TSJ zijn het vooral kleine gemeenten die worstelen met transitie jeugdzorg. Zij zouden moeite hebben met het op orde brengen van de toeleiding naar jeugdzorg, de inkoop en de informatievoorziening. Een onvermijdelijke conclusie van systeemdenkers. Die trachten overzicht over het geheel te behouden, in plaats van zich te concentreren op afzonderlijke onderdelen. Durven niet te overwegen welke rol deze delen in het groter geheel spelen. De transformatie die wij trachten vorm te geven, vereist een holistische kijk op het te bestuderen systeem. Dit wil zeggen dat er  vooral ook wordt gekeken naar de manier waarop zij wisselwerking vertonen en naar hun plaats in het geheel. Juist daarom is het van belang dat de dragers van de decentralisaties durven teruggrijpen op de grondslag daarvan: politiek atomisme. Een samenleving die op basis van vrijwillige keuzes met elkaar verbonden is. Atomisme gaat – net als eigen kracht – ervan uit dat mensen hun eigen doelen (kunnen) kiezen en nastreven.

    De holistische benadering gaat ervan uit dat de mens als een geheel benaderd moet worden en dat er niet alleen naar de ziekte wordt gekeken. Dat geldt niet minder voor systemen. Een kleinere gemeenten vraagt voor de door de TSJ gesignaleerde ‘knelpunten’ andere oplossingen dan een grotere gemeenten. Dat heeft niet alleen met werklast of onmogelijkheden van kleinere gemeenten te maken. Maar juist ook met andere mogelijkheden. Het benutten van die mogelijkheden  moet dan wel de ruimte krijgen. En daar knelt de schoen. De hulp die het Ondersteuningsteam Decentralisaties (OTD) en het Transitiebureau nu biedt, is voor kleinere gemeenten niet goed bruikbaar. Zegt ook de TSJ. Omdat deze te abstract is, teveel gericht op grote gemeenten en te weinig op operationele hulp. Het gevolg van blauwdrukdenken.

    Blauwdrukdenken is gebaseerd op het rationeel ontwerpen en implementeren van veranderingen. Procesdenken en netwerkplanning zijn representanten hiervan. In de blauwe denkrichting gaat het erom het resultaat zorgvuldig te omschrijven en te definiëren. De weg ernaartoe wordt zoveel mogelijk volgens rationele argumenten beredeneerd en gepland.

    Het ideaal van blauwdrukdenkers is dat alles maakbaar, planbaar en beheersbaar is. De valkuilen zijn:

    • dat weinig rekening wordt gehouden met irrationele aspecten;

    • dat deze aanpak vrijwel altijd weerstand creëert;

    • dat blauwdrukdenken weinig commitment en betrokkenheid schept;

    • (te veel) ongeduld, haast en hiërarchie.

    Het uit 2010 daterende advies ‘Vertrouwen op democratie’ van de Raad voor het openbaar bestuur moet daarom maar weer eens uit de onderste bureaulade gehaald worden. En afgestoft. In dit advies heeft de Raad niet gepoogd een nieuwe blauwdruk voor de bestuurlijke inrichting te ontwerpen. Zij heeft in de eerste plaats systematisch oorzaken geanalyseerd waardoor eerdere voorstellen tot verbetering van de hoofdstructuur – en daartoe mogen wij de huidige decentralisatieoperaties wel rekenen – het niet hebben gehaald. Door het proces op weg naar een nieuwe inrichting van ons openbaar bestuur centraal te stellen en daarmee afscheid te nemen van het blauwdruk-denken hoopte de Raad voor het openbaar bestuur bij te dragen aan een benadering, die wèl uitzicht biedt op een grondige modernisering van het openbaar bestuur. Het blauwdruk-denken heeft ons dat gedurende decennia niet gebracht. Maar waar ezels zich in het gemeen niet twee keer stoten aan dezelfde steen, blijken politici uit ander hout gesneden.

    Het ongeduld bij de landelijke beleidsmakers begint toe te nemen nu de invoeringsdatum van de transities – 1 januari 2015 – nadert. Maar in plaats van bij te springen en mee te lopen op het commitment en de aanwezige krachten van de mensen die het moeten doen, wordt teruggegrepen op een top-down gestructureerde blauwdruk.  De oorzaak? Ik citeer – van harte – Annemarie Jorritsma: het rijk heeft voor zichzelf geen transitieplan (gemaakt). En dus sluit ik af met de titel van een eerdere blog: “Om ergens te komen, moet je iets achterlaten!”, ofwel: “Je moet niet kijken hoe het zat, maar hoe het zitten moet.”

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers