Pleio

Engels | Nederlands
Doorgaan met programma Ambtenaar 2.0 (werktitel)

Doorgaan met programma Ambtenaar 2.0 (werktitel)

Borgen van innovatie bij de overheid en de ondersteuning van het netwerk Ambtenaar 2.0

 4.5/5 Sterren (2)

Visies op de Overheid: Ambtenaar 1.0 vs 2.0?

    Simon Kuijpers
    Door Simon Kuijpers in de groep Doorgaan met programma Ambtenaar 2.0 (werktitel) 872 dagen geleden

     0/5 Sterren (0)

    De vergelijkde analyse van visies


    In tegenstelling tot praktische zaken zoals het vinden van draagvlak voor vervolgstappen, kan de enquete ons ook iets indirecter van dienst zijn. Zo gaan vraag 10 en 11 over de visies die de respondent heeft op de overheid, innovatie, de rol van de ambtenaar en dat soort zaken. Wat mij hier met name interessant aan lijkt, is het verschil tussen leden en niet-leden. Dit onderscheid kan worden gemaakt op basis van vraag 1, waaruit blijkt dat de enquête 813 leden, en 373 niet-leden heeft bereikt. Beide vragen peilen in hoeverre de respondent het eens is met bepaalde stellingen. Hier vallen de eerder genoemde abstracte zaken onder, als (relatief) praktische thema's. Zo gaat vraag 10 over de snelheid van vernieuwing binnen de overheid, de waardering voor de ambtenaar en de nadruk die Ambtenaar 2.0 daarop legt. Vraag 11 informeert naar de bereidheid om geld of een andere bijdrage te leveren aan Ambtenaar 2.0 en de rol die de ambtenaar de overheid, de maatschappij en zichzelf toedicht. Deze analyse brengt de eventuele verschillen tussen leden en niet-leden in kaart. Het doel van de analyse is dus vooral het begrijpen van de (eventueel verschillende) doelgroepen.

    Alvorens te beginnen, zou ik graag een kanttekening willen maken betreffende de benaderde niet-leden. Het is namelijk niet duidelijk uit welke populatie deze niet-leden zijn gehaald. We weten dat de enquete via het netwerk zelf is verspreid, dus het ligt voor de hand aan te nemen dat deze niet-leden zich aan de marges van het netwerk bevinden. Nu is daarmee niet direct gezegd dat deze niet-leden een onrepresentatieve steekproef vormen. Immers, het netwerk strekt zich zowel breed als diep uit en een URL is zo verstuurd en verspreid. Het is echter wel iets om in ons achterhoofd te houden.

    Data
    Net zoals in mijn voorgaande analyses, begin ik met de ontknoping. In de onderstaande tabellen staat de samenvatting van de gegevens. In de rijen staan de verschillende subvragen van respectievelijk vraag 10 en 11. Hierbij heb ik gebruik gemaakt van de afkortingen die ook in het Excel bestand te vinden zijn. Zo duidt “goed” op “Het is goed dat een overheidsbreed netwerk bestaat dat is gericht op vernieuwing van de overheid”, et cetera.  De kolommen zijn onderverdeeld naar de totale steekproef, en de respondenten die hebben aangegeven wel of geen lid te zijn. Verder duidt Gem op de gemiddelde score van de desbetreffende groep en Std op de bijbehorende standaarddeviatie.

    Q10

    Totaal

     

    Niet-leden

     

    Leden

     

     

    Gem

    Std

    Gem

    Std

    Gem

    Std

    Goed

    8.31

    1.86

    7.28

    2.41

    8.54

    1.66

    Snel

    7.27

    2.14

    6.60

    2.42

    7.42

    2.05

    Rol

    4.15

    2.71

    4.65

    2.59

    4.03

    2.72

    Waardering

    6.79

    2.08

    6.92

    2.24

    6.76

    2.04

    Imago

    5.59

    2.59

    5.67

    2.76

    5.57

    2.56

     

     

     

     

     

     

     

    N

    716

     

    132

     

    582

     

    Missing

    474

     

    241

     

    231

     

    Ratio

    0.60

     

    0.35

     

    0.72

     

     

    Q11

    Totaal

     

    Niet-leden

     

    Leden

     

     

    Gem

    Std

    Gem

    Std

    Gem

    Std

    Nieuws

    5.82

    2.58

    5.96

    2.82

    5.79

    2.53

    Bijdrage

    6.24

    2.50

    5.26

    2.98

    6.46

    2.33

    Geld

    4.59

    2.75

    5.52

    2.99

    4.38

    2.36

    Samenleving

    6.93

    2.17

    6.62

    2.37

    6.99

    2.15

    Overheid

    8.77

    1.43

    8.67

    1.56

    7.99

    1.40

    Ik

    7.91

    1.67

    7.40

    2.03

    8.79

    1.55

     

     

     

     

     

     

     

    N

    704

     

    131

     

    571

     

    Missing

    486

     

    242

     

    242

     

    Ratio

    0.59

     

    0.35

     

    0.70

     

    Om te kijken of er per subvraag een verschil is tussen deze groepen, voer ik paarsgewijze T-toetsen uit.  De nauwkeurigheid van deze toetsen hangt af van het aantal vrijheidsgraden. Dit klinkt ingewikkeld, maar het is simpelweg het totaal aantal respondenten -2. De respons op beide vragen is vrijwel identiek. Mensen die vraag 10 hebben ingevuld, hebben dus vrijwel altijd eveneens vraag 11 ingevuld. Aangezien daardoor het aantal vrijheidsgraden van toetsen op Q10 en Q11 eveneens heel dicht bij elkaar ligt (resp. 712 en 700), ga ik uit van 700 vrijheidsgraden voor alle toetsen. Dit is veilig, omdat het verlagen van het aantal vrijheidsgraden juist een meer conservatieve schatting oplevert. Deze vrijheidsgraden, tezamen met de relevante gemiddeldes en standaarddeviaties, spelen een rol in het bepalen van de t-waarde. Dit is een maat voor het statistische verschil tussen deze groepen. Speciaal voor de mensen die mijn analyse willen narekenen, bij deze de de formule.

    Alvorens de t-waarden te bepalen, is het handig om te bedenken in wat voor een soort t-toets we deze waarden gaan stoppen: eenzijdig of tweezijdig? Voordat we deze analyse (en de enquête) begonnen, hadden we geen ideeën over de verschillen in opvattingen tussen leden en niet-leden. Het lijkt daarom misschien handig om tweezijdige t-toetsen toe te passen. Deze toets checkt of het verschil tussen twee gemiddelden groot genoeg is om toeval uit te sluiten, zonder hierbij een verwachtte richting aan te geven. Desalniettemin kies ik ervoor om per subvraag een eenzijdige toets te doen. Met andere woorden, per subvraag kijk ik of de gegevens de conclusie ondersteunen dat leden gemiddeld hoger dan wel lager scoren dan niet-leden. Dit lijkt mij een goede aanpak, ten eerste omdat de gemiddelden een indicatie geven over de richting van het verschil. Zo zou het onlogisch zijn om te toetsen of leden gemiddeld lager scoren op Q10(goed). Het gemiddelde van de leden ligt namelijk hoger dan dat van niet-leden, en deze informatie willen we meenemen in de analyse.  Ten tweede geven eenzijdige toetsen ons meer informatie. We hebben er weinig aan om te weten of er een verschil is, we willen weten hoe het verschil eruit ziet. Bij alle analyses ga ik uit van een alfa van 0.05. Ofwel, ik accepteer 5% kans dat ik concludeer dat er een verschil is, terwijl het er in werkelijkheid niet is. Mijn inziens is dit een redelijke grens, aangezien deze in veel onderzoek wordt toegepast.

    Toetsen
    In de toetsen heb ik de leden als de referentiecategorie genomen. Ofwel, alle variabelen met subscript 1 in de bovenstaande formule zijn ingevuld met waarden uit de gegevens van de leden. Een positieve waarde geeft dus aan dat leden gemiddeld hoger scoren, terwijl een negatieve waarde aangeeft dat leden gemiddeld lager scoren. De kritieke waarde van een eenzijdige t-toets met 700 vrijheidsgraden en een alfa van 0.05 is 1.642(bron).
    Wanneer een negatieve t-waarde lager is dan -1.642, en een positieve waarde hoger is dan 1.642, is er dus reden om te veronderstellen dat het verschil tussen de groepen significant is. In de tabel hieronder is de analyse samengevat. Hierin geeft de kolom Sig.? aan of het verschil significant is of niet. 

    Q10

    t-toets

     

     

    T-waarde

    Sig.?

    Goed

    7,176

    Ja

    Snel

    4,007

    Ja

    Rol

    -2,385

    Ja

    Waardering

    -0,799

    Nee

    Imago

    -0,399

    Nee

     

    Q11

    t-toets

     

     

    T-waarde

    Sig.?

    Nieuws

    -0,679

    Nee

    Bijdrage

    5,028

    Ja

    Geld

    -4,728

    Ja

    Samenleving

    1,742

    Ja

    Overheid

    0,866

    Nee

    ik

    3,942

    Ja

    Deze analyse laat ons zien er enkele significante verschillen zijn. Beginnend bij vraag 10, scoren leden gemiddeld hoger op “goed” en “snel”, en juist lager op “rol”. Bij vraag 11, scoren leden gemiddeld hoger op “bijdrage”, “samenleving” en “ik” en lager op “geld”. Alle andere verschillen zijn niet significant.  Nu we weten waar de verschillen liggen en hoe ze eruit zien, kunnen we een poging doen deze te interpreteren. Wat zeggen deze verschillen nu eigenlijk?

    Interpretatie
    Om de inhoud achter de getallen goed op waarde te schatten, zal de interpretatie in twee stappen plaatsvinden. Ten eerste is het handig om per subvraag te analyseren of het verschil logisch is. Kunnen we dit verschil tussen leden en niet-leden verklaren?  Wanneer deze specifieke verschillen bekend zijn, kunnen we het grote plaatje interpreteren. Wat zeggen deze verschillen samen?

    Per subvraag
    Subvraag 10a: Het is goed dat er een overheidsbreed netwerk bestaat dat is gericht op vernieuwing van de overheid.
    De analyse leert ons dat leden het meer eens zijn met deze stelling dan niet leden. Het “netwerk” in de vraag kan op twee manieren worden geïnterpreteerd. Ten eerste kan het duiden op Pleio en/of Ambtenaar 2.0. Het zou dan ook niet gek zijn dat leden meer waardering hebben voor dit netwerk, ze zijn er immers lid van. Dat wil overigens niet zeggen dat niet-leden dit netwerk geen warm hart toedragen, zij scoren gemiddeld immers nog steeds een ruime 7. Ten tweede kan het, zoals het woord “een” aangeeft, duiden op elk willekeurig netwerk wat een soortgelijke functie vervuld. Ook in dit geval is het logisch dat leden hier hoger scoren. Ze zijn lid van in ieder geval één zo’n netwerk, en hebben daar bepaalde  motivaties voor. Het is aannemelijk dat deze zelfde motivaties een rol spelen bij de keuze op lid te worden van soortgelijke netwerken.

    Subvraag 10b: De vernieuwing van de overheid gaat niet snel genoeg. We lopen achter op ontwikkelingen in de samenleving.
    Leden zijn het meer eens met deze stelling dan niet-leden. Zoals we uit de analyse van de motivaties hebben geleerd, zijn veel mensen lid geworden van Ambtenaar 2.0 om kennis op te doen (en eventueel te delen) over vernieuwingen binnen de overheid. Blijkbaar zijn leden dus enthousiast over zulke veranderingen. Wanneer men overtuigt is dat zulke ontwikkelingen te traag gaan, kan dit enthousiasme dus voortkomen uit een gevoel van urgentie. Desalniettemin is het lauw warm enthousiasme van niet-leden eveneens interessant. 

    Subvraag 10c: De rol van de overheid blijft in de netwerksamenleving grotendeels hetzelfde.
    Zowel leden als niet-leden scoren gemiddeld minder dan een 5 op deze stelling. Dit duidt erop dat beide groepen vinden dat de rol van de overheid zal moeten veranderen. Hoewel het verschil tussen leden en niet-leden in dit sentiment klein is, is het wel betekenisvol. Leden zien dus een sterkere verandering in rol tegemoet dan niet-leden. Helaas kunnen we weinig zeggen over hoe deze rol zou moeten veranderen.

    Subvraag11b: Als er een kleine bijdrage gevraagd zou worden voor activiteiten van Ambtenaar 2.0, dan zou ik niet deelnemen.

    Subvraag 11c: Als er geld gevraagd zou worden voor activiteiten van Ambtenaar 2.0, dan zou ik niet deelnemen.

    Deze vragen kunnen het beste samen worden behandeld, gezien het interessante verschil tussen de twee. Gemiddeld zijn zowel leden als niet-leden het meer eens met 11b, dan met 11c. De t-toets geeft aan dat leden hoger scoren op de eerste stelling en lager op de tweede stelling dan niet-leden. Dit houdt dus in dat een “kleine bijdrage” leden eerder afschrikt dan niet-leden, terwijl dit met “geld” precies omgekeerd is. Het verschil in 11c is makkelijk te verklaren gezien de bereidheid om lid te worden van Ambtenaar 2.0. Leden merken de voordelen van Ambtenaar 2.0, en zijn eerder bereid om er geld voor neer te leggen. Daarnaast scoren beide groepen onder een 5 op deze stelling, wat aanduidt dat ze het er (in verschillende mate) mee oneens zijn. Juist om deze redenen is het zo frappant dat “een kleine bijdrage” in het verkeerde keelgat schiet. Beide groepen scoren hoger dan een 5, en zijn het dus min of meer eens met deze stelling. Echter, leden zijn het er meer mee eens dan niet-leden. Mijn inziens zit de crux van dit verschil in de interpretatie van “bijdrage”. Het naast elkaar bestaan van 11b en 11c lijkt erop te duiden dat “bijdrage” expliciet niet duidt op geld. Wat kan men dan wel bijdragen? Wellicht hebben leden deze vraag anders geïnterpreteerd dan niet-leden. Zij zijn immers meer bekend met de bijdragen die anderen doen voor Ambtenaar 2.0, en zien zichzelf dit niet zo snel nadoen. Dit verschil blijft helaas verder een puzzel. Alle hulp is dus welkom!

    Subvraag 11d: De overheid kan echt wel wat meer aan de samenleving overlaten.
     Beide groepen zijn het redelijk eens met deze stelling. Leden zijn het er over het algemeen meer mee eens dan niet-leden. Zij zien de kracht van de samenleving om zaken op te pakken dus nog duidelijker dan niet leden. Er zijn twee (mogelijk naast elkaar bestaande) verklaringen hiervoor. Enerzijds kan het zo zijn dat Ambtenaar 2.0 mensen met deze visie aantrekt. Zij voelen zich aangetrokken tot het werken in co-creatie met de maatschappij. De maatschappij bruist immers van energie en hier moeten we gebruik van maken. Anderzijds kan het ook zo zijn dat het lidmaatschap van Ambtenaar 2.0 mensen tot deze visie doet komen. Zij nemen kennis van innovatieve projecten in de overheid, waardoor ineens veel meer mogelijk lijkt dan voorheen. Zij ontmoeten mensen die veel meer op burgers vertrouwen dan dat zij dat wellicht voorheen deden, en raken geïnspireerd. Niet-leden hebben zulke ervaringen in veel mindere mate, en hebben dus een kleiner referentiekader om zulk vertrouwen in de maatschappij op te baseren.

    Subvraag 11e: Ik kan een bijdrage leveren aan het verbeteren van de overheid en het versterken van de samenleving.
    Het interessante aan deze subvraag is dat het verschil tussen de groepen vrij groot is. Leden hebben duidelijk meer vertrouwen in hun eigen kunnen dan niet-leden. Een groot deel van de verklaring hiervoor heeft mogelijk te maken met de verschillen die we zagen bij subvraag 11d. Leden komen veel meer in contact met individuen die voor verandering zorgen in hun eigen organisatie en de vernetwerking met andere organisaties en de maatschappij aangaan. Daarnaast kan het ook nog eens zijn dat de duidelijke verbinding die in de vraagstelling wordt gelegd tussen overheid en maatschappij leden meer aanspreekt dan niet-leden. De vraagstelling stelt namelijk het “ik” voor als een gemeenschappelijke factor in overheid en maatschappij. Dit besef is een belangrijk onderdeel van de visie van Ambtenaar 2.0, dus kan het zijn dat leden zich hier mee thuis bij voelen dan niet leden.

    Overzicht
    Wat zeggen deze gegevens over de leden van ambtenaar 2.0 ten opzichte van niet-leden? Ten eerste bezien ze de maatschappij en de overheid niet radicaal anders dan niet-leden. Beide zien een overheid die qua ontwikkeling uit de pas loopt met de samenleving. Tevens zijn beide het eens met het idee dat dit gat enigzins kan worden gedicht door het stimuleren van overheidsbrede netwerken en meer vertrouwen op de kracht van de samenleving. Het verschil ligt met name in de mate waarin ze overtuigd zijn van deze visie. Leden hebben een groter vertrouwen in de samenleving, verlangen een snellere (en grotere) verbetering van de overheid en hebben meer vertrouwen in overheidsbrede netwerken zoals Ambtenaar 2.0. Ten tweede hebben leden meer vertrouwen in hun eigen kunnen om iets aan de situatie te doen. Dit groter vertrouwen kan opzich staan, of voortkomen uit het zelfbeeld waarin bruggen slaan tussen maatschappij en overheid centraal staat. Tenslotte kan van beide groepen een andere praktische bijdrage aan Ambtenaar 2.0 worden verwacht. Grosso modo schrikt het vragen om een eigen bijdrage beide groepen meer af dan specifiek vragen om een financiele bijdrage. Echter, leden zijn meer bereid om in de buidel te tasten dan niet leden. Daarentegen zijn zij juist eerder huiverig voor een eigen bijdrage. Deze huivering kan komen doordat zij een beter beeld hebben van hoe mensen daadwerkelijk bijdragen aan Ambtenaar 2.0, wat zorgt voor enige koudwatervrees. 

    Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers