Pleio

Engels | Nederlands
Van buiten naar binnen in het ministerie van V&J

Van buiten naar binnen in het ministerie van V&J


 0/5 Sterren (0)

Gerelateerde blogs

Moreel gedrag

Moreel gedrag

Mensen hebben een aantal kenmerken en...
Onethisch gedrag na goeie voornemens

Onethisch gedrag na goeie voornemens

Uit een metastudie over moral licensing blijkt...
Er is weinig corruptie in Nederland, maar ook (te) weinig integriteitsbeleid
Sociaal stimuleert serendipiteit

Sociaal stimuleert serendipiteit

  Het 'gelukkige toeval', dat wil iedereen...

Moraliteit

    Hadewych
    Door Hadewych in de groep Van buiten naar binnen in het ministerie van V&J 673 dagen geleden Reacties (2)

     0/5 Sterren (0)

    De aard van moraliteit

    Haidt en Kesebir bieden een overzicht van sociaal-psychologische inzichten over moraliteit. Moraliteit kan worden gedefinieerd als deugdzaamheid, onzelfzuchtigheid, ethiek of het onderscheid tussen goed en kwaad. Volgens de auteurs zijn er vijf verschillende grondslagen voor moraliteit:

    1. Geen schade aanrichten / zorg voor anderen: het gaat dan om zorgen omtrent het lijden van anderen, compassie, deugden.
    2. Rechtvaardigheid en wederkerigheid: hierin gaat het om oneerlijke behandeling, bedrog, abstracte noties van recht en rechten.
    3. Ingroep / loyaliteit: lidmaatschap van een groep brengt verplichtingen met zich mee zoals loyaliteit, zelfopoffering. Verraad is een issue.
    4. Gezag en respect: het gaat om de sociale orde en verplichtingen in hierarchische verhoudingen.
    5. Reinheid / heiligheid: er zijn zorgen om lichamelijke en spirituele besmetting, deugden als vroomheid en kuisheid, gezondheid en zelfbeheersing.

    Verschillende groepen hechten meer of minder waarde aan verschillende van deze grondslagen. Voor ‘progressieven’ zijn alleen de eerste twee echt van belang, ‘conservatieven’ hechten aan alle vijf.

    Turiel definieert het morele domein als “voorschrijvende oordelen over rechtvaardigheid, rechten en welzijn, over hoe mensen zich zouden moeten verhouden tot elkaar” . Haidt richt de aandacht meer op de functionaliteit van morele systemen: “Morele systemen zijn aan elkaar gerelateerde sets van waarden, deugden, normen, gebruiken, identiteiten, instituties, technologieën en ontwikkelde psychologische mechanismen met een zodanige werking dat ze egoïsme onderdrukken of reguleren en coöperatief sociaal bestaan mogelijk maken.”

    Morele evaluaties kunnen worden gemaakt op basis van een utilitaristisch kader, waarbij de uitkomst van bepaalde handelingen bepalend is voor de waarde. Een alternatief kader gaat uit van beginselen en principes (Kant).

    Morele psychologie

    Zelfzuchtigheid wordt niet alleen beheerst door het geweten en door directe zorgen over schade of leed, maar door een in elkaar grijpende combinatie van fysieke, psychologische, culturele en institutionele mechanismen. Daarbij ligt het primaat bij intuïtie. Automatische processen gerelateerd aan emoties spelen een grotere rol bij moraliteit, en doen dat sneller, dan bewuste/beredeneerde processen. De automatische processen zijn ook van invloed op de manier waarop mensen redeneren.

    Onderzoek en laboratoriumexperimenten hebben onder meer de volgende inzichten opgeleverd:

    • Mensen evalueren sociale zaken in een oogwenk, en zulke evaluaties zijn moeilijk bewust te verhinderen of te veranderen.
    • Morele oordelen zijn verbonden aan hersengebieden voor emotie.
    • Een voorbeeld van de rol van emotie zie je in een spelsetting, waarin twee spelers samen geld krijgen. Speler 1 bepaalt hoe het geld verdeeld wordt, speler 2 kan de verdeling accepteren of afwijzen; bij afwijzing krijgen beide spelers geen geld. Als de verdeling te ver afwijkt van een fifty-fiftyverdeling, wijst speler 2 meestal af, wat puur rationeel gezien niet logisch is.
    • Psychopathologie houdt verband met verminderde activiteit in hersengebieden die te maken hebben met emoties. Psychopaten kennen de sociale en morele normen van hun groep wel, maar ze voelen geen schaamte, schuld of meeleven als ze die normen overtreden.
    • Baby’s worden met rudimentaire ethiek geboren. Ze herkennen het verschil tussen vriendelijke/behulpzame en onvriendelijke actoren, en geven de voorkeur aan poppen die vriendelijk zijn.
    • Morele oordelen die mensen maken kunnen worden gemanipuleerd door hun gemoedstoestand te manipuleren. Naarmate mensen zich prettiger voelen, oordelen ze milder over personen die een morele norm overtreden. De gemoedstoestand wordt bij dit soort experimenten met name beïnvloed door gevoelens van walging op te roepen, door lichamelijke afkeerreacties te stimuleren. Mensen blijken wel te verschillen in hun lichamelijke sensitiviteit, en er is ook weer een relatie met moraliteit: naarmate mensen gevoeliger zijn voor walging is de kans groter dat ze een conservatief standpunt innemen t.a.v. politiek-ethische kwesties als abortus, homoseksualiteit e.d.
    • Mensen kunnen hun intuïtieve morele oordelen niet altijd rechtvaardigen of uitleggen.
    • Bij het redeneren treedt vaak confirmation bias op: het verschijnsel dat argumenten of bewijzen voor iemands standpunt weinig kritisch worden geëvalueerd en dat mensen meer hun best doen om ondersteunende bewijzen voor hun standpunt of veronderstelling te vinden, dan strijdige. Mensen zijn vooringenomen hypothesetesters: ze kiezen eerst een stelling en proberen die vervolgens te onderbouwen.
    • Bij moraliteit speelt motivated reasoning (naar jezelf toe redeneren): mensen committeren zich zo sterk aan hun oorspronkelijke voorkeur, dat ze procedures en redeneringen die tot de ‘juiste’ conclusie leiden eerlijker vinden dan procedures die tot een andere conclusie leiden.
    • Automatische cognitieve processen, framing en emoties zijn betere voorspellers van politieke voorkeuren dan eigenbelang, beleidsredeneringen of waardering van de voorkeurskandidaat.
    • Mensen zijn soms bereid om een vreemde te helpen, zelfs als die hulp henzelf iets kost, op basis van empathische gevoelens voor degene die lijdt. Er zijn aanwijzingen dat de motivatie om iemand te helpen niet alleen gebaseerd is op wederkerigheid.
    • Een appèl van een enkel identificeerbaar slachtoffer neemt in kracht af als er statistische informatie aan het appèl wordt toegevoegd, en zelfs als er een tweede slachtoffer wordt toegevoegd. Met andere woorden: mensen zijn eerder bereid een enkel slachtoffer te helpen waarvoor ze sympathie kunnen voelen, dan wanneer de nood getalsmatig wordt uitgedrukt.
    • Allerlei irrelevante factoren verhogen de kans op hulp: mooi weer, vrolijke muziek, koekjes of een aangename geur.

    Sociale functie van moraliteit

    Mensen hebben een enorme evolutionaire transitie doorgemaakt van een sociale naar een ultrasociale soort, die in staat is om in gigantische groepen met geavanceerde specialisatie te leven, door de steeds toenemende voordelen die samenwerking opleverde. Moraliteit is daarvoor een voorwaarde. Het werkt via reputatie en groepsvorming.

    Reputatie en geweten

    Wil reputatie effectief zijn om samenwerking te stimuleren, dan moet

    1. er goede informatie beschikbaar zijn over reputaties en over de geldende normen en regels
    2. mensen met een slechte reputatie gestraft worden – bijvoorbeeld door hen uit te sluiten.

    Roddel is een belangrijk middel voor goede reputatie-informatie. Mensen roddelen met name over freeriders, bedriegers en leugenaars in hun directe sociale groep, en ze hebben een uitstekende antenne voor bedriegers. Om te kunnen overleven in zo’n omgeving moeten mensen een geweten ontwikkelen.

    Mensen voegen zich in hun attitudes naar de mensen en groepen waarmee ze interacteren. Dat proces is automatisch, en leidt er vaak toe dat mensen elkaar nadoen. Als mensen zich in groep bevinden waar antisociaal gedrag gewaardeerd wordt, kan de druk om aardig gevonden te worden ertoe leiden dat ze zich ook antisociaal gaan gedragen.

    Toeschouwers hebben invloed op moreel gedrag. Mensen zijn meer geneigd zich prosociaal te gedragen als er anderen aanwezig zijn. Het gevoel gezien te worden kan zelfs subliminaal worden geactiveerd, eenvoudig door de suggestie van ogen te wekken.

    Gedrag in relatie tot reputatie is veelal automatisch en onbewust. Mensen kunnen achteraf verhalen verzinnen waarmee ze hun gedrag alsnog verklaren (hypocrisie). Daarbij kunnen ze ook egoistische handelingen alsnog in een socialer daglicht plaatsen, bijvoorbeeld door immoreel gedrag zodanig te reframen dat het onschuldig of zelfs deugdzaam lijkt; door eufemismen te gebruiken; door verantwoordelijkheid van zich af te schuiven; door negatieve gevolgen van hun gedrag te bagatelliseren; door slachtoffers verantwoordelijk te houden of door slachtoffers te ontmenselijken.

    Naarmate er een beter moreel acceptabel alibi beschikbaar is voor het egoïstische gedrag, of het eenvoudiger is om slecht gedrag plausibel te ontkennen,  neemt de kans toe dat mensen zich niet integer zullen gedragen.

    Reputatie en sympathie worden sterker beïnvloed door negatieve informatie dan door positieve. De negativiteitsbias leidt ertoe dat mensen eerder doelbewustheid zien achter slecht gedrag, dan achter goed gedrag.

    Groepsvorming

    Culturele instituties hebben vaak een functie in het onderdrukken van egoïsme en het bevorderen van sociale cohesie, vertrouwen en samenwerking. Veel culturele innovaties in de menselijke evolutie betroffen gebruiken en instituties die erop waren gericht om bedriegers te detecteren en te bestraffen en sociaal gedrag te bevorderen en te belonen. Ibn Khaldun (14e eeuw) merkte al op dat solidariteit, cohesie en vertrouwen groepen een evolutionair voordeel boden. Dat zijn deugden die horen bij de moraliteit van patriotisme, trouw en gehoorzaamheid.

    Mensen identificeren zichzelf heel snel met een groep, zelfs als ze willekeurig als groepslid zijn aangewezen. Aangezien iemands identiteit en eigenwaarde verbonden is met de groep(en) waartoe hij behoort, is het enerzijds belangrijk om deel uit te maken van een ‘goeie’ groep en anderzijds zinvol om de eigen groep te verbeteren. Groepsleden hebben dan ook de neiging om mensen te discrimineren op basis van hun groepslidmaatschap.

    Grotere groepscohesie (wij-gevoel) bevordert hogere investering van mensen in het oplossen van publieke goederendilemma’s (collectief biedt het voordelen als iedereen investeert maar individueel alleen nadeel) en beperken van de consumptie van collectieve goederen. De belangrijkste instrumenten om groepsharmonie en cohesie vol te houden zijn morele: gedragsnormen, naleving van normen en bestraffing van normovertreders. Daarnaast zijn er ook niet-morele mechanismen om groepscohesie te onderhouden: initiatieriten (ontgroening), monumenten, feesten, herdenken van helden en martelaren.

    Mensen zijn meer geneigd om normen na te leven die door andere leden van hun groep (ingroup) zijn bepaald. Tegelijk oefenen mensen meer druk uit op ingroup-leden om zich te conformeren aan de groepsnormen.

    Jonathan Haidt, Selin Kesebir, Chapter 22 ‘Morality’ in: Fiske, Gilbert, Lindzey (eds), Handbook of social psychology 2010.

    Crowding out

    Externe interventies kunnen de waarden en daaraan gekoppelde motieven die mensen intern hebben beïnvloeden. Het kan bijvoorbeeld gaan om sancties of beloningen, of om voorschriften, geboden of verboden.

    Externe interventies leiden tot crowding out van intrinsieke motivatie (iets doen uit morele overwegingen of omdat je het prettig vindt om te doen) als de perceptie is dat de controle over het gedrag naar buiten verschuift, als de intrinsieke motivatie daarmee wordt miskend of als de externe interventie het lastiger maakt om je van je goeie kant te laten zien, altruïsme te tonen. Dit effect is ook bekend onder andere noemers: het ondermijnende effect, het overrechtvaardigingseffect, de verborgen kosten van belonen, het corrumperende effect, cognitieve evaluatietheorie.

    Een voorbeeld is romantisch liefde. Betaal je daarvoor, dan wordt het prostitutie.

    Het omgekeerde effect komt ook voor: als mensen een externe interventie percipiëren als ondersteunend voor hun intrinsieke motieven, neemt de motivatie om bepaald gedrag te vertonen juist toe.

    Bruno Frey, ‘Crowding Out and Crowding In of Intrinsic Preferences’, in: Brousseau, Dedeurwaerdere, Siebenhüner (eds), Reflexive Governance for Global Public Goods 2012.

    Reacties

    Volgorde van reacties: Aantal: Automatisch laden:
      • Hadewych
        Hadewych 403 dagen geleden

        De evolutie van zoogdieren tot sociale dieren gaat gepaard met de ontwikkeling van een neocortex: het deel van de hersenen dat flexibel is en het mogelijk maakt zich aan de omgeving aan te passen. Dat geeft zoogdieren een belangrijk voordeel ten opzichte van reptielen. Doordat de neocortex zich slechts langzaam ontwikkelt zijn jonge zoogdieren zeer afhankelijk van de ouders. Ze ontwikkelen dan ook het vermogen zich emotioneel aan anderen te binden, en dat gaat gepaard met moreel vermogen. (Zie the brains behind morality van Patricia Churchland).

        • Hadewych
          Hadewych 672 dagen geleden

          Een formele manier om reputatie-informatie te leveren is de VOG, verklaring omtrent gedrag. VOG weigeringenVOG weigeringen

        Reageren is alleen mogelijk voor aangemelde gebruikers